wachten

Let op de persoonsvorm als ‘wachten’ gebruikt wordt in de zin van ‘voor de genoemde persoon in het vooruitzicht staan’.

Wat die persoon of personen te wachten staat, is het onderwerp van de zin. Het getal van het onderwerp bepaalt de persoonsvorm.

  • Haar wacht een mooie toekomst.
  • Hem wachten twee zware wedstrijden.
  • Hun wacht een flink pak slaag.
  • Ons wacht een warm onthaal.
  • De omroep wachten nieuwe besparingen.

Hetzelfde geldt voor ‘te wachten staan’.

  • Haar staat een mooie toekomst te wachten.
  • Hem staan twee zware wedstrijden te wachten.
  • Hun staat een flink pak slaag te wachten.
  • Ons staat een warm onthaal te wachten.
  • De omroep staan nieuwe besparingen te wachten.