snelheid

Let op het voorzetsel:

  • De gletsjer schuift ‘met’ een snelheid van dertig centimeter per dag de zee in.
  • De tsunami raasde ‘met’ grote snelheid westwaarts.
  • De auto reed ‘met’ hoge snelheid weg.
  • Meteorologen spreken van zware windstoten ‘bij’ een snelheid van 75 kilometer per uur.
  • In een zware regenbui kan het zicht ‘bij’ een snelheid van 100 kilometer per uur in korte tijd afnemen tot 100 meter.