op / in (tijdsaanduiding)

Bij een tijdstip hoort in de regel het voorzetsel ‘op’.

  • Hij is jarig op 18 september.
  • Op een gegeven moment viel de stroom uit.
  • Op dinsdag werk ik thuis.

Bij een tijdsruimte hoort in de regel het voorzetsel ‘in’.

  • In drie jaar is de motor vijf keer geblokkeerd.
  • Drie keer in de week gaat ze sporten.
  • In het begin had ze veel last van blessures.

Maar: vier overvallen op één dag.