lukken / slagen

Iets ‘lukt’ of ‘slaagt’.

  • Het experiment is gelukt / geslaagd.
  • Zijn tweede poging was gelukt / geslaagd.
  • Het is Fred niet gelukt een record te zwemmen.

Iemand ‘slaagt’.

  • Fred is er niet in geslaagd een record te zwemmen.
  • Veel kandidaten slagen niet voor hun examen.