gaan (als hulpwerkwoord)

Naar de toekomst verwijzen we gewoonlijk met het hulpwerkwoord ‘zullen’ of met de tegenwoordige tijd.

  • Je zult nog een poos moeten wachten.
  • De rechtbank zal zich daar morgen over uitspreken.
  • De rechtbank spreekt zich daar morgen over uit.
  • Dat zullen we morgen wel zien.
  • Dat zien we morgen wel.

‘Gaan’ is correct in de betekenis:

zich verplaatsen
We gaan hem opzoeken in Antwerpen.
beginnen
Als je de sleutel omdraait, gaat de motor lopen.
van plan zijn
Volgend jaar gaat hij meedoen aan de Tour
Het bedrijf gaat een beroep doen op freelancers.

    ‘Gaan’ is niet correct als hulpwerkwoord in combinatie met: zijn, hebben, gaan, moeten, kunnen, durven. Vaak gebruiken we een tegenwoordige tijd in plaats van een toekomende tijd.

    • ❌ Zaterdag ga ik niet thuis zijn.
      Zaterdag ben ik niet thuis.
    • ❌ Morgen gaat het mooi weer zijn.
      Morgen wordt het mooi weer.
    • ❌ Volgend jaar gaan we een nieuwe burgemeester hebben.
      Volgend jaar krijgen we een nieuwe burgemeester.
    • ❌ Daar gaan ze de handen vol aan hebben.
      Daar zullen ze de handen vol aan hebben.
    • ❌ Mijn boek gaat pas over een jaar af zijn.
      Mijn boek is pas over een jaar af.
    • ❌ Ze is verhinderd, dus ze gaat niet meegaan.
      Ze is verhinderd, dus ze zal niet meegaan.