deze / die / dit / dat

Die en dat verwijzen terug naar een persoon of zaak die al eerder genoemd is, deze en dit wijzen vooruit.

  • Gisteren ben ik Jan tegengekomen. Die had ik in jaren niet meer gezien.
  • Ik moet het boekenrek maar eens opruimen. Dat staat er al zo lang slordig bij.
  • Het probleem is dit: we hebben geen geld meer.
  • De zaak is deze: mijn assistent is ziek geworden.

Vergelijk:

  • Je bent gek. Dat heb ik je al gezegd.
  • Dit moet ik je nog zeggen: je bent gek.

In combinatie met een voorzetselgroep gebruiken we altijd die en dat.

  • Het leven in de zeeën bestaat langer dan dat op het land.
  • De baard van m'n man is langer dan die van u.

Die en dat verwijzen ook naar iets wat veraf is, deze en dit naar iets wat dichtbij is.

  • Wat is het verschil tussen die kaas en deze kaas?

Dit en deze klinken nadrukkelijker dan dat en die.

  • Moeten we de lunch zelf betalen? Dat was niet de afspraak.
  • Moeten we de lunch zelf betalen? Dit was niet de afspraak.

De laatste zin kan bijvoorbeeld met veel nadruk uitgesproken worden op het moment dat de spreker de rekening krijgt.