dan ik / dan mij

Vul de zin aan om te achterhalen of de onderwerpsvorm of de voorwerpsvorm gebruikt moet worden.

  • Hij ziet zijn zus vaker dan ik (haar zie).
  • Hij ziet zijn zus vaker dan (hij) mij (ziet).
  • Hij weet meer van techniek af dan ik (ervan af weet).
  • Hij weet meer van techniek af dan (hij) van mij (af weet).
  • Hij is groter dan ik (ben).