cliënt / klant / patiënt

Iemand die gebruik maakt van diensten, is een ‘cliënt’. Advocaten, therapeuten, dienstverleners hebben ‘cliënten’.

Iemand die aankopen doet, is een ‘klant’. Winkeliers en fabrikanten hebben ‘klanten’.

Soms is het onderscheid tussen ‘cliënt’ en ‘klant’ ook een stijlkwestie: ‘cliënt’ klinkt formeler en afstandelijker dan ‘klant’. Zo spreken sommige banken over hun ‘cliënten’, andere over hun ‘klanten’.

Dokters en verpleegkundigen hebben ‘patiënten’.