als ik / als mij

Vul de zin aan om te achterhalen of het om de onderwerpsvorm of de voorwerpsvorm gaat.

  • Hij ziet zijn zus even vaak als ik (haar zie).
  • Hij ziet zijn zus even vaak als (hij) mij (ziet).
  • Ze is even oud als ik (ben).
  • Hij houdt niet van mensen (zo)als ik (er een ben).

Om na te gaan welke vorm gebruikt moet worden, kun je de zinnen soms ook uit elkaar halen op deze manier:

  • Hij ziet zijn zus vaak en ik zie zijn zus vaak. → Hij ziet zijn zus even vaak als ik.
  • Hij ziet zijn zus vaak en hij ziet mij vaak. → Hij ziet zijn zus even vaak als mij.
  • Zij is 18 en ik ben 18. → Zij is even oud als ik.