't kofschip

Met het ezelsbruggetje van 't kofschip (of 't fokschaap) kan worden bepaald hoe de verleden tijd en het voltooid deelwoord van een regelmatig werkwoord gespeld worden.

Eerst moet de stam van het werkwoord bepaald worden. De stam is de volledige vorm van het werkwoord (de infinitief) zoals we die uitspreken, zonder de uitgang -(e)n.

  • zetten - [zet]
  • werken - [werk]
  • suffen - [suf]
  • kletsen - [klets]
  • pochen - [poch]
  • zwalpen - [zwalp]
  • verhuizen - [verhuiz] (maar we schrijven verhuis)
  • zweven - [zweev] (maar we schrijven zweef)

Eindigt de stam van een werkwoord in de uitspraak op een medeklinker van 't kofschip of op [sj], dan wordt de verleden tijd met -te(n) gevormd en het voltooid deelwoord met -t.

  • zetten - zette, gezet (eigenlijk 'gezett', maar we spellen geen twee t's aan het eind van een woord)
  • werken - werkte, gewerkt
  • suffen - sufte, gesuft
  • kletsen - kletste, gekletst
  • pochen - pochte, gepocht
  • zwalpen - zwalpte, gezwalpt
  • faxen - faxte, gefaxt
  • pushen - pushte, gepusht
  • racen - racete, geracet
  • roetsjen - roetsjte, geroetsjt

Eindigt de stam van een werkwoord in de uitspraak niet op een medeklinker van 't kofschip, dan wordt de verleden tijd met -de(n) gevormd en het voltooid deelwoord met -d.

  • schrobben - schrobde, geschrobd
  • branden - brandde, gebrand (eigenlijk 'gebrandd', maar we spellen geen twee d's aan het eind van een woord)
  • verhuizen - verhuisde, verhuisd
  • zweven - zweefde, gezweefd
  • gebeuren - gebeurde, gebeurd

Let op: het ezelsbruggetje van 't kofschip geldt niet voor de tweede en derde persoon enkelvoud van de tegenwoordige tijd. Die krijgt altijd een -t.

  • jij verhuist - jij bent verhuisd
  • het gebeurt - het is gebeurd
  • hij verbrandt zich - hij heeft zich verbrand
  • zij veroordeelt - zij heeft veroordeeld