Eens / es / is / ’ns / ’s

De vorm ‘eens’ is altijd goed. Als ‘eens’ nadruk krijgt, is dat de enige mogelijke uitspraak en spelling.

In een niet-beklemtoonde positie kan ‘eens’ verdoft worden uitgesproken. Die uitspraak wordt weergeven op twee manieren:

  • ’ns
  • ’s

Voorbeelden:

  • Je grote zus heeft al ’ns oesters gegeten.
  • Je grote zus heeft al ’s oesters gegeten.

De verkorte vormen ‘es’ en ‘is’ zijn fout.

  • ❌Je grote zus heeft al es oesters gegeten.
  • ❌Je grote zus heeft al is oesters gegeten.