d / dt

Voor de vervoeging van werkwoorden in de tegenwoordige tijd enkelvoud gelden deze regels:

  • ik stam: ik kom, ik loop, ik word, ik vind
  • stam ik: kom ik, loop ik, word ik, vind ik
  • jij stam+t: jij komt, jij loopt, jij wordt, jij vindt
  • stam jij: kom jij, loop jij, word jij, vind jij
  • u stam+t: u komt, u loopt, u wordt, u vindt
  • stam+t u: komt u, loopt u, wordt u, vindt u
  • hij stam+t: hij komt, hij loopt, hij wordt, hij vindt
  • stam+t hij: komt hij, loopt hij, wordt hij, vindt hij

Vervang bij twijfel de onbeklemtoonde vorm je door de beklemtoonde vorm jij of jou(w).

  • Vind je / jij dat ook?
  • De gids vind je / jij nooit meer terug. (= Jij vindt de gids nooit meer terug.)
  • De gids vindt je / jou nooit meer terug.
  • Word je / jij ook gehuldigd?
  • Vindt je / jouw broer dat ook?
  • Wordt je / jou ook een gratis exemplaar aangeboden?
  • Hij biedt je / jou geen drankje aan.