Wie is de brommer?

koeien bij zonsopgang

Niks zo verkwikkend als de dag per fiets op gang trappen. Ik doe het al meer dan twee jaar, van maandag tot vrijdag, tenzij de weergoden zich van hun vreselijkste kant laten zien. En dan nog. Zelfs met een vormeloos regenpak in spuuglelijke kleuren ben ik nog trots wanneer ik de ronde langs school–kantoor–huis integraal op twee wielen heb afgelegd.

Soms lijkt het er zelfs op dat de natuur me oprecht bedankt voor zoveel engagement. Mijn route naar kantoor loopt langs het kanaal Brugge-Oostende. Toen ik er vorige week passeerde en een groep eenden in de nevel over het water zag scheren, dacht ik: wauw. Toen ik er maandag passeerde en de opkomende zon de lucht roze zag kleuren, dacht ik: fenomenaal. Die momenten beleef je niet half zo intens als je aan een stuurwiel sleurt en autoverkeer trotseert.

Toen ik dinsdag net voorbij het kanaal de lege koeienweide zag liggen, dacht ik eerder: er is niks aan zonder die beesten. Maar gras is óók mooi om te zien. Vervuld van bucolische eenvoud en lyriek bereikte ik de fietsenstalling van het werk. Ik parkeerde mijn stalen ros en toen viel mijn oog voor het eerst op de signalisatie aan het hek.

bord

Als Loeki de reclameblokken op tv nog had gesierd, dan krabde hij zich bij zo’n taalkronkel achter de oren met een krachtig ‘Asjemenou?!’.

Immers: de fietser is de werknemer die fietst. Zo iemand als ik. Maar wie is die brommer dan in godsnaam? De collega die ’s ochtends met het verkeerde been uit bed is gestapt? De collega die mijn dag wil vergallen met nukkige opmerkingen? Of de zeer stoute collega die zijn straf uitzit – bromt – achter tralies?

Terwijl ik die opties overliep, brak het angstzweet me plots uit. Ik legde mijn tweewieler aan de ketting en repte me naar binnen. In geen geval wou ik zo’n brommer tegen het lijf lopen: ze zijn nefast voor de arbeidsvreugde!

Maar de paniek bleek ongegrond. Aan de prikklok stonden twee collega’s met een brede glimlach: hoegenaamd geen brommers. In de lift kreeg ik van drie mensen een ‘goeiemorgen’ en boven begroette de poetsvrouw me uiterst joviaal. Het gaf me een positieve boost vanjewelste en prompt was ik het bordje aan de fietsrekken vergeten.

Ik boog me over de dagtaken en telde stiekem al af naar het moment waarop ik naar huis kon fietsen, langs die lege koeienweide en langs het kanaal, genietend van een vuurrode ondergaande zon. Zoveel natuurschoon gaat recht door het hart  – wat ik je brom!