Twee wijntjes

toosten op het nieuwe jaar (foto: © GettyImages)

Mijn beste wensen voor het nieuwe jaar! En de eerste taaldiscussie van het jaar is al bekend: hoe noemen we dit jaar eigenlijk? Tweeduizend twintig? Twintig twintig? Twintighonderd twintig misschien?

Elk zichzelf respecterend taalmedium heeft die vraag de afgelopen maanden al eens voorgelegd aan zijn publiek, meestal via een poll op sociale media. Wouter van Wingerden, voormalig taaladviseur bij Onze Taal was er al vroeg bij op 3 oktober. Een maand later volgde Onze Taal zelf en enkele weken later onze eigen Radio 1. In december ontdekten andere media de kwestie, zoals het Nederlandse Radio 1-programma ‘Spraakmakers’. Maar de grote doorbraak was rond nieuwjaar zelf: het Parool, de Standaard, het Nieuwsblad, de Gazet van Antwerpen, de NRC, het Taalcentrum van de VU, het Meertens Instituut, allemaal stelden ze dezelfde levensbelangrijke vraag: hoe moeten we dit jaar noemen?

Voor de antwoorden verwijs ik jullie door naar Twitter, Facebook of een ander sociaal medium van je keuze. De discussies zijn elke keer zo levendig dat je er ongetwijfeld wel ergens op zal botsen. En als je het absoluut zeker wil weten: de Taalunie zelf heeft er al een advies aan gewijd.

2020

Wat mij hier interesseert is niet of we nu voor ‘twintig twintig’ moeten gaan of voor ‘tweeduizend twintig’, maar wel waarom je eigenlijk een keuze zou moeten maken. Waarom zou het ene juister zijn dan het andere? Waarom discussiëren we hier blijkbaar zo graag over? En waarom wachten we niet gewoon af wat er spontaan gebeurt? Zijn we met zijn allen dan zo ongeduldig geworden, of zijn we bang dat we het niet meteen juist zullen doen?

In het laatste geval is dat goed nieuws voor de taaladviseurs onder ons. Maar er zit nog iets anders in die discussies: de zoektocht naar bevestiging. Heel wat mensen willen gewoon bevestigd zien, liefst door zoveel mogelijk mensen of mensen met gezag, dat wat ze zelf spontaan zeggen het ‘juiste’ is, en liefst het enige juiste. En graag een bewijs krijgen dat die keuze ook ‘logisch’ is, alstublieft dankuwel. Alleen: taal en logica, dat zijn niet altijd dikke vrienden. Gelukkig maar, vind ik. Het zou anders maar een saaie, voorspelbare boel worden.

Maar goed, wat gaan we dan wel zeggen? Volgens de voorspellingen wint ‘tweeduizend twintig’ het van ‘twintig twintig’, want, ja, die logica, hè. We hebben tot nu toe altijd ‘tweeduizend (en) iets’ gezegd, dus waarom zou dat nu veranderen? En vergelijken met ‘negentienhonderd’ gaat niet op, want we zeggen niet ‘twintighonderd’. Sommige mensen voelen ‘twintig twintig’ zelfs als uitgesproken fout aan, te letterlijk Engels of zoiets.

Alleen: dit is wat mensen zéggen dat ze zullen zeggen. Iedereen die al eens zijn mening heeft gegeven via een enquête, weet dat er tussen zeggen en doen een wereld van verschil kan liggen. Het wordt dus spannend dit jaar. Ik ga ervan uit dat mensen de twee versies gewoon door elkaar gaan gebruiken, afhankelijk van wat op het moment zelf het eerste in hun opkomt. Ik hoorde het deze week nog op de radio: een presentator zei de hele tijd ‘twintig twintig’ en plots gooide ze er een ‘tweeduizend twintig’ tussen. Heerlijk verrassend is dat.

Dus kom: verras me, wissel af, kies gewoon niet. Zodat op het einde van het jaar, als menig taalwetenschapper zijn hoofd er opnieuw over buigt, hij of zij concludeert dat de twee versies perfect broederlijk en zusterlijk naast elkaar konden leven en dat niemand daar enig probleem mee had.

Of we kunnen er zoals de Fransen doodleuk ‘deux vins’ van maken. Op je gezondheid!

 

Miet Ooms is vaste columniste van vrttaal.net. Meer van haar staat op taalverhalen.be.