Taal zonder mij

foto: © GettyImages

Het is herfst en de bladeren vallen van de bomen. Ik hoor het u denken: wat een lullig en clichématig begin van een column. U heeft gelijk, maar ik heb de zin nodig om een vergelijking te maken, ter inleiding van het onderwerp van dit stukje: vorig jaar in de herfst viel ik als een blad van de boom van het leven.

Om preciezer te zijn viel ik ‘nog steeds’, want ik was al een hele tijd depressief. De herfst maakte het alleen maar erger. De kilte in mijn hart voelde ik nu ook in mijn botten, en de grijze tinten in mijn hoofd zag ik nu ook wanneer al te vroeg de avond viel.

Over depressie wordt de laatste tijd gelukkig steeds meer gezegd en geschreven, maar een aspect dat ik daarbij nooit aan bod zie komen, is hoe depressie een invloed heeft op je taal. Onomwonden kan ik vandaag zeggen: mijn depressie deed me mijn taal verliezen.

Schrijven kon ik nog wel, al kostte het me meer moeite dan anders, maar het was een van de weinige dingen waaraan ik nog vreugde beleefde. Spreken was een ander paar mouwen. ‘Kun je niet meer klappen, misschien?’, zei mijn vader een keer geïrriteerd – want dat zijn geliefden van depressieve mensen ook soms; geïrriteerd of zelfs kwaad. Maar nee, ik kon niet meer spreken. De woorden die ik tijdens het anderhalf jaar dat ik ziek was het vaakst heb gezegd, waren ‘ja’ en ‘nee’, omdat dat dikwijls het enige was wat ik kon bedenken als mij een vraag werd gesteld. Ik wilde wel praten, omdat ik wist dat praten kon helpen, maar ik kon de juiste woorden niet meer vinden – letterlijk. Een wetenschappelijke verklaring kan ik er niet voor geven, maar misschien is het zo simpel als dit: een depressie is een aanslag op je identiteit, en onze taal is daar een wezenlijk onderdeel van. Ergens in dat brein zaten zoveel woorden nog wel opgeborgen, maar ze vonden de weg naar buiten niet meer.

Het duidelijkste bewijs voor mijn geliefden dat ik genezen was, was dan ook dit: ik praatte weer. Ik praatte véél. Ik was als een kleuter die pas de taal had ontdekt. ‘Ge kunt weer klappen’, zei mijn vader, en terwijl hij me omhelsde, rolde over zijn wang een traan.