Rijk

Amsterdam bij zonsondergang

Ik luister graag en veel naar de radio. Ik heb geen vaste radiozender: als ik rust zoek of me moet concentreren, is Klara een goede keuze, als ik ‘gezelschap’ zoek, schakel ik over op Radio 1. ‘Nieuwe feiten’ is een van mijn favoriete programma’s. Zeker op donderdag, als Lieven Vandenhaute de Nederlandse Brussel-correspondent Sander van Hoorn weer eens een reeks Vlaamse woorden voorlegt. Zo ging het op 12 april bijvoorbeeld over, jawel, ‘enerverend’ (rond 15 minuten). De arme man slaagt er maar zelden in om de betekenis van die woorden te raden. En zo wordt het beeld van dat aparte, bijzondere Nederlands van België keer op keer bevestigd.

Ook in discussies met mijn collega-vertalers komt dat beeld vaak naar boven. Vertalers naar het Nederlands worden voortdurend geconfronteerd met die verschillen, zeker als klanten ons vragen specifiek voor de Nederlandse of Belgische markt te vertalen. Dan moet je je taal richten op je doelpubliek en moet je je wel afvragen of je woorden, uitdrukkingen en zinsstructuren geschikt zijn voor je lezers. We leren heel veel van elkaar. Maar ook hier overheerst het beeld van dat bijzondere, ‘rijke’, aparte Nederlands van België tegenover dat gewone, wat duffe Nederlands van Nederland. En dat beeld klopt volgens mij niet.

Ik werd pas echt met het Nederlands-Nederlands geconfronteerd toen ik als jonge twintiger een half jaar ging studeren in Leiden. De eerste drie weken waren een echte cultuurshock, en behalve de kroketten in de muur en de gesloten bakker in het weekend had ook taal daar veel mee te maken. Ik had de verschillen zwaar onderschat. De eerste week was al meteen spannend. Zo vertelde mijn huisbaas me dat ik om de hoek kon pinnen. Twintig jaar geleden kende ik dat woord helemaal niet, en dus ging ik heel voorzichtig om die hoek kijken. Een kale muur met  een bankautomaat maakte meteen veel duidelijk.

Ik zat ook op ‘kamers’, niet op kot. Wat een teleurstelling toen die ‘kamers’ maar uit één eigen kamer bestond, samen met natuurlijk een gedeelde keuken en toilet. Toen ik voor het eerst naar de winkel ging, vroeg de kassier me naar een stuiver. Ik wist wel dat het een munt was, maar niet welke. Ik heb nog lang verloren gelopen tussen de stuivers, dubbeltjes en tientjes. Al snel leerde ik wat een magnetron was, en een strippenkaart (tegenwoordig is dat een ov-kaart). En ik vergeet nooit de treinconducteur die luidkeels vroeg of iemand een ‘zonnebloem’ kon wisselen. Hoezo, het Nederlandse Nederlands niet rijk?

Zullen we eens een quizje doen? ‘Nieuwe feiten’-stijl, maar dan met Nederlands-Nederlandse woorden. Daar gaan we. En niet valsspelen, want dat kan die arme Sander ook niet:

Als zelfstandige moet ik wel eens onderhandelen met klanten. Niet altijd even eenvoudig, maar het gaat gemakkelijker als ze omhoog zitten. Soms is het wel buffelen. Niet erg, zolang ik maar niet het schip inga. Want de schoorsteen moet roken.

De antwoorden vind je helemaal onderaan deze column.

En ja, ik weet ook wel dat veel mensen denken dat het Belgisch-Nederlands meer eigenaardigheden of afwijkingen bevat dan het Nederlands-Nederlands. Je weet wel, macht van het getal, en wij Belgen hebben dat Nederlands van daarboven wel moeten leren omdat de norm nu eenmaal in het noorden lag. Maar vergis je niet. Om te beginnen ligt die norm al twintig jaar niet meer in ‘het noorden’ en bovendien is een hoop noordelijk Nederlands nooit over de rijksgrens geraakt. Wij hier in het zuiden kennen heel wat plastisch, typisch, rijk Nederlands-Nederlands bijgevolg niet en dat is veel meer dan wat we doorgaans denken.

Dat heb ik niet alleen in Leiden ontdekt, dat merk ik ook dagelijks bij mijn Nederlandse collega’s. Ze weten zelf niet half hoeveel noordelijks ze me elke dag weer bijbrengen. En dan is er nog het Prisma Groot woordenboek Nederlands. Ja, dat bestaat nog, en het is heel interessant. Dat woordenboek hanteert namelijk al 10 jaar zowel Belgische als Nederlandse regiolabels, en (NL) komt ongeveer even vaak voor als (BE). Momenteel ga ik in opdracht van Prisma na of al die met (NL) gemarkeerde woorden en uitdrukkingen toch ook niet bekend en gebruikelijk zijn in België. De meeste kan ik gewoon laten staan. Ze zijn grappig, bijzonder, verrassend, plastisch en soms heel typisch. Poekelen, patjepeeër, ouwe-jongens-krentenbrood, een goede haan is niet vet, zo link als een looien deur zijn, een aal is geen paling, enz. Njammie.

Oh ja, de antwoorden nog.

  • Omhoog zitten = in moeilijkheden zitten
  • Buffelen = hard werken, stevig doorwerken
  • Het schip ingaan = een financiële opdoffer krijgen (bijvoorbeeld als een klant die nog een factuur moet betalen failliet gaat)
  • De schoorsteen moet roken = er moet brood op de plank komen

 

Miet Ooms is vaste columniste van vrttaal.net. Meer van haar staat op taalverhalen.be.