Rare klemtonen

hangmat

Herman Boel, de taalfluisteraar, merkt in zijn blog op dat de klemtoon in het Nederlands behoorlijk ingewikkeld. Echte regels zijn er niet, zegt hij in “Nieuwe feiten”. Het lijkt wel of we zomaar lukraak deze of gene lettergreep beklemtonen.

Vaak verschilt het ook tussen Vlaanderen en Nederland. De ene zegt robót en clitóris, de andere róbot en clítoris. Zelfs binnen Vlaanderen lijken we het niet met elkaar eens. Het westen zegt búrgemeester en stádhuis, de rest burgemééster en stadhúís.

Ruud Hendrickx merkt op dat in de meeste oerwoorden de eerste lettergreep beklemtoond wordt: áppel, léver. In leenwoorden ligt de klemtoon vaak achterin: op de laatste lettergreep (fanatíék), de voorlaatste lettergreep (democrátisch) of de voor-voorlaatste lettergreep (cánada). In de meeste woorden valt de klemtoon op de voorlaatste lettergreep. Wie geen Latijn kent, zegt daarom normalíter in plaats van normáliter.

Naast de hoofdklemtoon hebben lange woorden ook een bijklemtoon, meestal helemaal vooraan: òrganisatórisch. De twee beklemtoonde lettergrepen vormen de palen waartussen de overige lettergrepen als een hangmat doorzakken. Dat verschijnsel speelt ook mee bij klemtoonverschuivingen waar sommige luisteraars helemaal gek van woorden: de Ámerikaanse presidént, de cúlturele informátie.