Radiotaal - keurslijf of spelewei

De taalkundige Jan Stroop is verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Ik citeer hem uit een artikel in ‘Het Parool’ (23.11.1991): “In een samenleving waarin mensen als gelijken functioneren of waarin zij genoeg zelfvertrouwen hebben verworven, heeft een uniforme standaardtaal geen bestaansrecht meer.” En als het voor u nog niet duidelijk is, nogmaals Stroop: “In een gemeenschap waar een uniforme standaardtaal wordt bepleit, zijn de mensen in meer of mindere mate ongelijk, worden er mensen gediscrimineerd, voelen ze zich inferieur en zorgen anderen dat ze zich inferieur voelen. Ze worden dan misleid door verhalen over de noodzaak de standaardtaal te spreken om iets te bereiken. Standaardtaal is symbool van ongelijkheid.”

Tja, kunt u zeggen, Jan Stroop of all persons. Ik neem aan dat u Liesbeth Koenen wel kent. In een recensie van het tijdschrift ‘Onze Taal’ van het gelijknamige genootschap schrijft ze: “Natuurlijk moeten de gevoelens en de behoefte aan normen van veel Nederlanders serieus genomen worden. Maar Onze Taal doet dat niet. In plaats van misverstanden (zoals dat er ergens onaantastbare taalnormen te vinden zouden zijn) recht te zetten, biedt het genootschap schijnzekerheid. (-). Er is geen uiteindelijk houvast in de discussies over goed en fout taalgebruik. (-). Het volk wordt dus niet serieus genomen, maar bewust dom gehouden” (NCR Handelsblad, 11.12.1992).

Een taalnorm: welles, nietes

Collega’s, ik wil u niet om de oren slaan met citaten, maar ik zou aan het eind niet graag te horen krijgen dat ik u dom heb gehouden. Stroop en Koenen hebben gelijk, als ze stellen dat je als wetenschapper geen stellige uitspraak kunt doen over goed of fout taalgebruik. Wetenschappers schrijven niet voor, ze beschrijven en daarmee basta. De vraag is alleen of bijvoorbeeld leraren Nederlands nog het rode potlood moeten hanteren, als ze woorden of constructies aantreffen die volgens hen niet door de beugel kunnen. Dit is het antwoord van Stroop: “De beste manier is er het zwijgen toe te doen en de beschikbare tijd te besteden aan communicatie of bijvoorbeeld literatuur”. Zijn antwoord is dom en wat erger is niet origineel. Toen ik op de universiteit zat - de ijstijd dus - moesten we een boek van Robert Hall lezen. Titel: “Leave your language alone”. De boodschap: “There’s nothing wrong with your language”. Met andere woorden: let maar nergens op. Alles is goed want het bestaat nu eenmaal. Mensen praten toch zo. Wie ben ik om daar bezwaar tegen te maken? Ik bedank er feestelijk voor om mensen een minderwaardigheidscomplex aan te praten.

Waarom maak ik zoveel woorden vuil aan taalkundigen die pseudo-egalitaire verhalen houden over de schoonheid van de willekeur en de totale tolerantie? Het zijn tenslotte platte demagogen. En toch wind ik me op, om twee redenen. Jaar in jaar uit maken ze aankomende leraren Nederlands wijs dat het hun verdomde democratische plicht is om taalfouten door de vingers te zien. “De suppositoire in de frigo van de dactylo” is toch ook Nederlands, nietwaar? Nog ergerlijker is dat de academische wereld zich opsluit in een ivoren toren en weigert welke uitspraak ook te doen over goed en fout Nederlands. Let wel, ik ken tientallen neerlandici die dat even jammerlijk vinden als ik. Maar daar gaat het niet om. Het probleem is dat de dames en heren blijven bekvechten en dus de onzekerheid alleen maar groter maken.

En toch is er grote behoefte aan een taalnorm. Luister naar Gerrit Komrij. Die schrijft zijn columns voor NRC Handelsblad in Portugal. Ik citeer: “De enige identiteit is de taal en de taal bindt mij aan mijn land. Helaas is in Nederland ook de taal voor velen een lor. De publieke lichamen nemen haar niet serieus, de regering heeft er geen interesse voor, het persoonlijk taalgebruik van de politici verwekt gekokhals en ongecontroleerde darmreflexen. (-). Ik geloof niet dat een taal zomaar verdwijnt, al doet de Nederlandse regering nog zo haar passieve best. Toch - een taal kan aangevreten worden, door onzorgvuldigheid van buitenaf en door koeterwaals en halfslachtigheid van binnenuit. Ik ben geen purist, een taal kan veel opnemen en verwerken, maar er kan op een zeker moment, als een kanker, een lingua franca ontstaan die het organisme uitholt en doodt. De verrotting kan elk moment toeslaan, indien men niet bij volle bewustzijn slijpt, bijvijlt, mest en water geeft. (-). Daarom ben ik me, buiten Nederland, pas volop Nederlander gaan voelen. Niet vanwege het Wilhelmus, de tulpen, Smit-Tak, het voetbal of de kaas, maar vanwege de taalcadans, de woordenschat, de grammatica, de helderheid van uitdrukking en Gorter” (16.12.1992).

Komrij heeft gelijk: “Men moet bij volle bewustzijn slijpen, bijvijlen, mesten en water geven”. Ook in Vlaanderen. Maar daar heb je wel een taalnorm voor nodig. Waar moet je die gaan zoeken? Niet in de taalwetenschap: dat is inmiddels al wel duidelijk. Wel in de taalpolitiek. En aangezien taalpolitiek ook politiek is, moet iedereen voor zichzelf uitmaken voor welke taalpartij hij of zij wil stemmen. Anders geformuleerd: iedere taalgebruiker beslist wat hij of zij als goed en fout Nederlands wenst te beschouwen. Een andere norm is er niet. Dit is mijn norm.

De grenzen van de norm

Ik vind dat de BRTN en dus ook de radio het Noord-Nederlands als norm moeten hanteren. Anders hebben we helemaal geen norm en ook in taalzaken is alles beter dan chaos. Maar als je dat zegt, hoor je wel zekere grenzen in acht te nemen. Overschrijd je die, dan komt het taalgevoel van de Vlamingen in opstand. En dat is het ergste wat de standaardtaal bij ons kan overkomen. Voor mij zijn er drie grenzen.

Allereerst is het nonsens om de Randstad-uitspraak van het Nederlands te willen overnemen. Wij diftongeren de ee en de oo niet (leejven, loowpen). Wij maken stemhebbende medeklinkers niet stemloos (chaan, fangst, de son en de see). Wij reduceren bijtonige klinkers niet tot een toonloze e (fubbriek, munnier, filussuffie en - God betere het - de puttij). En wij zeggen niet: pensjoen, offisjeel of spesjaal. Onze uitspraak van het Nederlands is veredeld Brabants.

Mijn tweede grens is het bestaansrecht van Vlaamse beelden en zegswijzen. Wij worden ontvangen als een hond in een kegelspel, Nederlanders als een aap in de porseleinkast. Wij kennen vijgen na Pasen, Nederlanders mosterd na de maaltijd. Wij verdienen geld als slijk, Nederlanders verdienen geld als water. Wij hebben het over een mossel van een vent, Nederlanders over een lamstraal. Wij kennen Pietje de Dood, Nederlanders Magere Hein. Wij gaan te keer als een duivel in een wijwatervat, Nederlanders gaan alleen maar wild te keer. Wij bakken platte broodjes, Nederlanders bakken zoete broodjes. Wij lachen groen, Nederlanders zoetzuur of als een boer die kiespijn heeft. Wij zijn de duivel te plat, Nederlanders zijn uitgeslapen. Wij verkopen appelen voor citroenen, Nederlanders knollen voor citroenen. Enzovoorts, enzovoorts. Ik vind dat de Vlaamse en de Nederlandse uitdrukkingen gelijkwaardig zijn en dat we dus van elkaar kunnen leren.

Maar ik heb het al gezegd: ik wil u niet dom houden. Ik stel de zaken te rooskleurig voor. “De duimen leggen” en “op punt stellen” zijn ook Vlaamse uitdrukkingen en toch krijg ik die niet over mijn lippen. Waarom niet? Niet zozeer omdat het klakkeloze vertalingen zijn van “mettre les pouces” en “mettre au point” of omdat “het loodje leggen” en “uitwerken” voor de hand liggen. Maar wel omdat - en dat is mijn enige maatstaf - welke beelden dan ook op het eerste gehoor begrijpelijk moeten zijn, ook voor hen die geen Frans kennen.

Over mijn derde grens bestaat geen discussie. Het gaat om officiële termen als schepen (versus wethouder), licentiaat (versus doctorandus) en gouverneur (versus commissaris van de koningin). Hoewel geen discussie? Sommigen vinden dat die termen nog maar eens bewijzen dat de Vlamingen en de Nederlanders gescheiden zijn door dezelfde taal. Dat klopt. Een Vlaamse kinesitherapeut of kinesist heet in Nederland een fysiotherapeut. Een Vlaamse fysiotherapeut is dan weer een arts die zich gespecialiseerd heeft. En die Vlaamse fysiotherapeut heet in Nederland revalidatiearts. Jammer misschien, maar het is niet anders. Om misverstand te voorkomen: sommige officiële Belgische termen waren/zijn ronduit bespottelijk. De minister van Nationale Opvoeding is terecht de minister van Onderwijs geworden en de minister van het Openbaar Ambt is even terecht de minister van Ambtenarenzaken geworden. En we kunnen alleen maar hopen dat de minister van Tewerkstelling binnenkort een minister van Werkgelegenheid wordt.

Samengevat: voor mij is het Noord-Nederlands de norm, maar ik neem wel drie Vlaamse grenzen in acht: de uitspraak, beelden en officiële termen.

De norm

Voor de rest wijs ik twee soorten van woorden en uitdrukkingen af. Allereerst vind ik het verwerpelijk om Franse woorden als zogenaamd Vlaams voor te stellen: filet d’anvers, een tas en een soutas, chauffage central, camionette, materniteit, mutualiteit, garçon, plastron, bavette, antigel en dag madam. Daarover zijn we het eens, vermoed ik, maar gallicismen als “zich verwachten aan” of “hij is ziek gevallen” zijn geen haar beter. Nederlands is geen Frans, ook al denken onze politici daar nogal eens anders over. Neem nu “kalender”. “De regering heeft de kalender van de werkzaamheden vastgesteld”, lees en hoor ik. Ze had zich de moeite kunnen besparen, denk ik dan, want Gregorius heeft dat al eeuwen geleden geregeld. Sla een vertaalwoordenboek op en u krijgt te lezen: “calendrier: 1. kalender 2. tijdsschema”. De regering zegt “kalender” en ze bedoelt “tijdsschema”. Zo werkt het bij ons nog altijd en daar doe ik niet aan mee.

Niet alleen gallicismen wij s ik af, maar ook purismen. Sommige lieden gaan nog altijd met een regenscherm en een uurwerk onder het stortbad staan. Verwonderlijk is dat niet: in hun dialect gebruiken ze altijd andere woorden en aangezien dialecten des duivels zijn - denken ze -, zullen die woorden wel geen goed Nederlands zijn. De dialectofobie is taai, maar toch ga ik met een paraplu en een horloge onder de douche staan. En van de “falingen”, verlos ons, Heer.

Dat is de norm die ik hanteer bij de BRTN. Twijfel ik dan nooit? Jawel, vooral in twee gevallen. Ik zou het met u graag hebben over de vermeende voorkeur van de Nederlanders voor vreemde woorden. U weet wel: mag ik u attenderen op de ravage op de eerste etage? En over de fascistoïde afkeer van veel Vlamingen én Nederlanders voor vreemde woorden. Die blijkt alleen al uit de agressieve metaforen die ze gebruiken om vreemde termen aan te duiden: het zijn insluipsels, indringers, ze infiltreren het Nederlands en als u te veel Angelsaksische woorden gebruikt, lijdt u aan de Engelse ziekte. Hoe groot is het verschil, denk ik dan, tussen de kreet “eigen woorden eerst” en die andere kreet “eigen volk eerst”? Nee, ik pleit niet voor een ongenuanceerd gebruik van vreemde woorden, om twee redenen. Allereerst heb ik een hekel aan aanstelleritis. U weet wel: dat die twee heren niet meer on speaking terms zijn, is the talk of the town. Gebruik toch je moers taal, denk ik dan: dat die twee heren niet meer met elkaar willen praten, is het gesprek van de dag. Van meer belang nog is dat ik mijn luisteraars niet om de oren sla met “knowhow”, aangezien velen beter vertrouwd zijn met “kennis”. Ik ben geen welzijnswerker, maar heb wel respect voor mijn luisteraars.

Ik zou het met u ook graag hebben over die vermakelijke, vermannelijkte Hollandse koe. Hij geeft melk, nietwaar. Te gek toch. Gemakshalve vergeten we dan wel dat “de zon, hij schijnt” doodgewoon was in de zeventiende eeuw. Toegegeven, bij ons zijn de dialecten nog springlevend en dus ook de genera. We zeggen ne man dus is ne boom mannelijk. We zeggen e kind en dus is e paard onzijdig. We zeggen ’n vrouw en dus is ’n maag vrouwelijk. Maar in Limburg is maag mannelijk en in veel dialecten zeggen ze ne boek en toch is boek onzijdig. Wat ik maar wil zeggen: op het gebied van de genera is er grote onzekerheid. De aanduidingen in het groene boekje kloppen niet meer, maar niemand weet hoe het dan wel moet. Daarom pleit ik voor tolerantie: als het niet kan zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan.

Dialect en tussentaal

Maar goed, drie kwartier is drie kwartier en u zou het me terecht kwalijk nemen, als ik de volgende kwesties niet aan de orde stelde. Eén: hoe zit het met dialect en tussentaal in onze uitzendingen? Twee: wat komt terecht van een taalbeleid bij de BRTN?

Nogal wat programmamakers hebben zich altijd al geërgerd aan dialect of tussentaal op de radio. U kent hun redenering: “Wij spannen ons in om ons taalgebruik te verzorgen en elders op de radio brabbelen anderen straffeloos koeterwaals. Waar zijn we eigenlijk mee bezig?”. Het probleem is acuut geworden, toen de VAR onlangs besloot om dialect uit de reclame te bannen. Dat was geen verstandige beslissing. Van reclamemakers mag je alleen verwachten dat ze ofwel dialect ofwel de standaardtaal gebruiken. En dat ze consequent zijn: in de standaardtaal zijn “aan de prijs van” en andere Nederfranse rommel niet op hun plaats.

Maar goed, de vraag blijft: wanneer dialect, wanneer standaardtaal in onze uitzendingen? Het is een oud dilemma. Had Lord Reith gelijk, toen hij stelde dat de radio het volk alleen maar moet opvoeden? Want, zei hij, “father knows better”. En dan gebruikt vader alleen de standaardtaal, aangezien hij het goede voorbeeld moet geven aan zijn kinderen. Karikaturaal voorgesteld is dat schoolmeestersradio. Lord Reith kon zijn theorie in de praktijk brengen, tot de concurrentie eraan kwam. Toen rees de vraag of de radio het zich kan permitteren om een eiland te zijn. Of de radio kan doen alsof in de samenleving geen dialect en tussentaal voorkomen. Of de radio niet de spiegel van de samenleving hoort te zijn. Karikaturaal voorgesteld is dat consumentenradio.

Confronteer iemand met het dilemma “schoolmeestersradio of consumentenradio?” en de kans is groot dat hij op de vluchtheuvel van het cliché gaat staan. In medio virtus, nietwaar, de gulden middenweg en als je moet kiezen tussen wit en zwart, ligt grijs voor de hand. Ik hou niet van grijs, ik ben geen wegwuiverig type. Dit is mijn standpunt.

In beginsel horen we op de radio de standaardtaal te gebruiken. Er zijn drie uitzonderingen. Taal is onlosmakelijk verbonden met cultuur. Welnu, dialect is een ander woord voor streektaal. Bijgevolg kun je streektaal gebruiken, als je het hebt over streekcultuur. Ik zeg “kun je” en niet “hoor je”. Bij wijze van voorbeeld: ik heb er geen bezwaar tegen dat ze reclame maken voor geuzelambiek in het Marols.

Mijn tweede uitzondering betreft de tussentaal. Geen dialect dus en ook geen standaardtaal. Professor Jan Goossens heeft de tussentaal van Leuvense studenten beschreven in een artikel met de titel “Hij zei dattem van niks wist”. Dit is zijn bekendste voorbeeldzin: “Gade gij mee naar den alma?” Kan dat op de radio? Ja, het kan - nogmaals, het hoeft niet, het kan -, als je bijvoorbeeld in een feuilleton personages opvoert die komen uit een milieu waar de mensen zo praten. De collega ‘s van Jan Matterne praten niet anders dan heel veel Vlaamse ambtenaren. En dan kunnen we beter niet doen of onze neus bloedt.

Als u mijn derde uitzondering hoort, kunt u me beschuldigen van vedettecultus. Het gaat uiteraard om de sterren op de radio. Als u die uit de ether wilt bannen, lijdt u aan suïcidale neigingen. Tja, kunt u tegenwerpen, maar we kunnen toch niet zomaar elke dwaalster op de luisteraar loslaten? Natuurlijk niet: er zijn grenzen aan de wansmaak en van mij verwacht u geen pleidooi voor vulgariteit. Maar nog eens: ik ben een pragmaticus. Sterren kunnen we niet missen en dus moeten we ook hun uitspraak en taalgebruik voor lief nemen.

Een taalbeleid

U zou het me terecht kwalijk nemen, zei ik enige minuten geleden, als ik ook niet nog een andere kwestie aan de orde stelde, namelijk: wat komt terecht van een taalbeleid bij de BRTN? Nee, verwacht van mij geen jeremiade voor het feit dat de BRTN meent te kunnen volstaan met één taaladviseur. Ik constateer dat, als wie dan ook zegt: “Er is geen geld”, hij of zij eigenlijk bedoelt: “Het heeft geen prioriteit”. En voor de rest probeer ik me te redden, want als je geen deel bent van de oplossing, ben je een deel van het probleem.

Verwacht van mij geen jeremiade over het gebrekkige taalgebruik dat ik dag in dag uit op de radio hoor. Integendeel, als het goed is, zeg ik het ook. De radio spant zich de laatste jaren in om de uitspraak en het taalgebruik van de medewerkers te verbeteren. De radio neemt de audities serieus en probeert consequent te zijn. Ik weet wel dat zo’n beleid soms pijnlijke consequenties heeft, maar wat wilt u: zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Als de radio een selectie organiseert, zit er ook altijd een taaltest bij en die gaat niet alleen over zeg-niet-maar-wel, maar ook over radiotaal. Prachtig.

Maar ik ben geen naïeveling. Elke dag weer maken we nog veel taalfouten voor de microfoon. Kunnen we ons taalgebruik op korte termijn verbeteren? Ja, denk ik, op twee voorwaarden. Om misverstand te voorkomen: ik laat nieuwe taalmedewerkers buiten beschouwing. Die zouden weliswaar nuttig werk kunnen verrichten, al was het maar om de uitspraak van buitenlandse plaats- en persoonsnamen vast te stellen. Maar dat verhaal kent u al.

De eerste voorwaarde is dat er eindelijk eens een andere bedrijfscultuur komt. Hoe vaak bellen medewerkers me niet op: “Zeg, Eugène, heb je dat gehoord in het nieuws van 1 uur? Of in “Voor de dag”? Of in “Eenhoorn”?” Het barst natuurlijk allemaal van de goede bedoelingen, maar u kent de weg naar de hel. Waarom, denk ik dan, werpt u al uw taalzorgen op de Heer? Vindt u uitspraak en taalgebruik beneden uw waardigheid en zijn ze volgens u het exclusieve jachtterrein van een taaladviseur die toch niks beters te doen heeft? Het is de verdomde hiërarchische plicht van meerderen om opmerkingen te maken over het taalgebruik van hun medewerkers. En het is een verdomde collegiale plicht om je collega’s telkens weer een taaldienst te bewijzen. Dat klinkt heel streng en ik bedoel het nog zo ook. Ik ben pessimistisch, als we er niet in slagen om de taalzorg uit de repressieve sfeer te halen en als een vanzelfsprekende bezigheid van ieder van ons te beschouwen.

De tweede voorwaarde is een platitude. Ieder van ons hoort bereid te zijn om goed Nederlands te gebruiken. Goed schrijven, ook voor de radio, is goed willen schrijven. Het is allereerst een kwestie van mentaliteit. Ik kan de paarden wel naar het water brengen, maar ze doen drinken kan ik niet. Ik wens u van ganser harte een permanente taaldorst toe.

Taal blijft boeien

Ik rond af. Ik heb het gehad over de taalnorm, over dialect en tussentaal en over een taalbeleid. Misschien bent u ontgoocheld. Waarom heb ik u bijvoorbeeld niet gevraagd of u het melig vindt, als ik aantrekkelijk probeer te schrijven? Stel, ik fulmineer in een artikel tegen huiseigenaars. Hoe melig is dit slot van mijn stukje: “Gooi de letters van “eigenaars” door elkaar. En jawel, dan krijg je dit woord: aasgieren”. Een soortgelijk verhaal kan ik houden over “wapenindustrie”. Gooi de letters door elkaar en je krijgt: weer stad in puin. Is dat melig Nederlands of verfrissend Opperlands?

En taal blijft boeien. Vindt u dat we “zelfmoord” moeten zeggen, omdat dit nog altijd de gebruikelijkste term is? Of verdient volgens u “zelfdoding” de voorkeur, omdat in de taal tot uiting moet komen dat veel mensen anders zijn gaan denken over suïcide? Of denkt u met mij dat we “zelfmoord” en “zelfdoding” door elkaar moeten gebruiken voor de microfoon, omdat de radio de spiegel van de samenleving hoort te zijn? Het is alleen maar een voorbeeld. Zegt u krijgsheer, clanhoofd of bendeleider Aideed? Mindervaliden of gehandicapten? Homoseksueel of homofiel? Allochtonen of migranten?

En taal blijft boeien. Zegt u “voorzitter”, ook als het om een vrouw gaat? Dan gaat u er met veel feministen van uit dat een secretaresse nog altijd niet dezelfde status heeft als een secretaris en dat we daarom de mannelijke functieaanduidingen maar beter als gemeenkunnig kunnen beschouwen. Of geeft u de voorkeur aan “voorzitster”, omdat vrouwen nu eenmaal zichtbaar moeten zijn in de taal? Of vindt u met mij dat we “voorzitter” en “voorzitster” door elkaar kunnen gebruiken, omdat - jawel, omdat de radio de spiegel is van de samenleving?

En taal blijft boeien. Ergert u zich bijvoorbeeld aan hen die almaar leuteren over de verstaanbaarheid van radiotaal? U kent hun vuistregels: geen lintwormzinnen, geen tangconstructies, geen lijdende vormen, geen ver-men-ning, geen moeilijke woorden. Vindt u dat we niet boven de hoofden van onze luisteraars mogen praten en dat die op het eerste gehoor moeten kunnen snappen wat we voor de microfoon zeggen? Of vindt u dat die vuistregels de taal alleen maar versimpelen tot een eenheidsworst voor kleuters? Toen ik op de universiteit zat – de ijstijd dus - vertelde professor Stutterheim vaak deze anekdote. Een doctor in de wis- en natuurkunde praat zes woensdagavonden over thermometers en barometers voor leden van de Volksuniversiteit. De laatste avond is er ruimte voor vragen. Een lid: “Wat is nu eigenlijk het verschil tussen een thermometer en een barometer?” De doctor: “Dat kan ik u gauw vertellen. Het eerste is zo’n groot ding met kwik en het tweede is zo’n klein dingetje met kwik.” Wat is de moraal van het verhaal? De vraagsteller is natuurlijk niet assertief; anders had hij zijn vraag veel eerder gesteld. En zijn woordenschat is beperkt. Maar de echte schuldige is de doctor: hij vindt het beneden zijn waardigheid om zijn toehoorders serieus te nemen. God verhoede dat hij ooit voor onze microfoon komt.

Collega’s, ik heb naar ik hoop duidelijk gezegd hoe ik over taal denk. Of als u een Nederengelse formulering verkiest: ik heb mijn nek uitgestoken. Maar aan het begin heb ik u verteld dat je uit wetenschappelijk oogpunt geen stellige uitspraak kunt doen over goed of fout taalgebruik. Mijn hele verhaal is met andere woorden taalpolitiek. Ik kan alleen maar hopen dat u op mijn lijst wilt staan. Ik dank u.

 

donderdag 4 november 1993
Eugène Berode