OPINIE - Niet tegen Engels, wel voor Nederlands

© Belga

Onder de titel 'Against English: pleidooi voor het Nederlands' is bij de Wereldbibliotheek net een lijvig debatboek verschenen over de toenemende verengelsing van het onderwijs in Nederland. Daarin stellen Nederlandse academici, columnisten en schrijvers de 'doorgeslagen situatie' in het onderwijs in Nederland aan de kaak.

Hoewel de titel prikkelend is, houdt hij ook een gevaar in. Wie in het verweer gaat tegen het Engels, verliest in onze gemondialiseerde samenleving het pleit. We moeten niet zozeer tegen het Engels zijn, maar voor het Nederlands. En we moeten er ook alles aan doen om de veerkracht van onze taal te behouden.

Wat de verengelsing van het hoger onderwijs betreft is Nederland in Europa een buitenbeentje. Ongeveer een derde van alle bacheloropleidingen en niet minder dan drie kwart van de masteropleidingen wordt in het Engels gedoceerd. Geen enkel ander land in Europa voert een zo uitgesproken pro-Engels beleid.

Er zijn geen wettelijk vastgelegde quota of voorgeschreven flankerende maatregelen, zoals een parallel aanbod in het Nederlands, een verplicht minimum aan Nederlandstalige wetenschappelijke literatuur, een vereiste om van scripties en proefschriften een Nederlandse samenvatting te maken, laat staan een verplichte cursus Nederlands voor buitenlandse studenten.

Kenmerkend voor de Nederlandse situatie is dat de verengelsing door de politiek ingezet is. Al in 1990 lanceerde de toenmalige minister van Onderwijs, Jo Ritzen, het streefcijfer van 30% Engelstalige opleidingsonderdelen voor alle universiteiten. De universitaire overheden zijn daar gretig op ingegaan en gaandeweg werden de cijfers opgevoerd.

 

Waarom Engels?

Daarbij staan drie doelen voor ogen: de ‘internationalisering @ home’ voor de Nederlandse studenten, het aantrekken van buitenlandse studenten en de aansluiting bij internationaal onderzoek.

De doelstellingen van ‘internationalisering @ home’ zijn het ontwikkelen van interculturele competenties bij de studenten, het verbeteren van communicatieve vaardigheden in het Engels en studenten laten kennismaken met de internationale wetenschappelijke literatuur. Hierdoor zouden Nederlandse studenten goed voorbereid worden op een internationale carrière en als wereldburgers goed beslagen ten ijs komen.

Het Nederlandse hoger onderwijs wil ook meer buitenlandse studenten bedienen, niet alleen Europese uitwisselingsstudenten, maar in toenemende mate ook niet-Europese studenten die een volledige opleiding willen volgen. Deze laatste groep vormde een belangrijke trigger voor het oprukkende Engels.

Hier spelen duidelijk mercantiele beweegredenen mee. Doordat studenten­aantallen beslissend zijn voor de financiering werden sommige kleinere universitaire instellingen en gespecialiseerde opleidingen met opheffing bedreigd. Om de leegloop en dus de sluiting tegen te gaan, is men grootschalig internationaal gaan rekruteren.

Ten slotte heeft het Engels een bijna-monopolie in wetenschappelijke tijdschriften en op congressen. Daardoor steunt het academisch onderwijs in grote mate op Engelstalige publicaties.

 

collegezaal

 

Kritische geluiden

Tot voor kort kwam er vanuit de academische wereld maar weinig tegenkanting, maar de laatste jaren zijn steeds meer kritische geluiden te horen. Zowel de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen (KNAW) als de Taalunie hebben rapporten gepubliceerd waarin de noodzaak van een tweesporenbeleid en de urgentie van het behoud van het Nederlands als wetenschappelijke taal worden bepleit.

In deze rapporten, en nu ook in het pas verschenen debatboek, wordt vooral gewezen op de gevaren van kwaliteitsverlies in het onderwijs. Studenten trekken aan de alarmbel, omdat de docenten doorgaans minder goed lesgeven in het Engels dan in het Nederlands. Het verwerken van leerstof in het Engels kost meer tijd en moeite. De meeste afgestudeerden komen op de Nederlandse arbeidsmarkt terecht en slechts een breukdeel van hen moet in het Engels communiceren. Voor een aantal beroepen – zoals artsen, leraren, advocaten – is het juist cruciaal het Nederlands adequaat te gebruiken.

 

Wat doet Vlaanderen?

En Vlaanderen dan? In Vlaanderen loopt het anders. Er is een vrij strenge taalregelgeving waarin quota voor anderstalige cursussen worden opgelegd. Dat is natuurlijk historisch gegroeid vanwege de strijd tegen de verfransing. In vergelijking met Nederland is het Engels slechts mondjesmaat en veel later toegelaten.

Vandaag zijn in Vlaanderen de universiteiten vragende partij om meer Engelstalig onderwijs te kunnen verstrekken. De academische overheden kloppen aan bij de politici, want ze willen af van het betuttelende systeem van quota en cursussen tellen. Hun argumenten zijn veelal dezelfde als die van hun Nederlandse collega’s. Gelukkig is het bewustzijn dat men niet lichtzinnig mag omspringen met het erfgoed van de moedertaal in Vlaanderen groter dan in Nederland. Uit recente publicaties blijkt dat krampachtigheid heeft plaats gemaakt voor een bezonnen houding en voor een dynamisch taalbeleid met oog voor de Europese en internationale ontwikkelingen in het hoger onderwijs.

Bij dit alles mag niet worden vergeten dat Engelstalig onderwijs drempelverhogend werkt en een bijkomende barrière vormt voor jongeren uit meer kwetsbare groepen, die niet van thuis uit worden gesteund om al vroeg vreemde talen te leren, of voor jongeren die wel graag scheikunde of elektrotechniek willen gaan studeren, maar geen talenknobbel hebben. Het democratisch deficit is aanzienlijk en dat terwijl de Vlaamse overheid, en dus de Vlaamse belastingbetaler, nog steeds de belangrijkste financierder van het hoger onderwijs is.

Wetenschappers hebben een verantwoordelijkheid tegenover hun eigen gemeenschap om hun inzichten te delen, bekendheid te geven aan hun resultaten en voor toepassingen te zorgen binnen de nationale en lokale context. Het Nederlands is daarvoor de geschikte taal bij uitstek.

 

Em. prof. dr. Godelieve Laureys is president van de Orde van den Prince, een politiek ongebonden genootschap voor Nederlandse taal en cultuur. De vereniging zet zich in voor het Nederlands als volwaardig communicatie­middel in alle domeinen van de Vlaamse en Nederlandse samenleving.