“Let op je taal, meneer Vanneste"

Tijs is consequent. Of hij zich nu als tv-maker tot de kijker richt, als vader tot zijn kinderen of als leraar tot nieuwe collega’s en leerlingen, hij praat Algemeen Kempisch. Wat vooral verrast, is de vanzelfsprekendheid waarmee meneer Vanneste de regel doorbreekt dat een leraar zich in de klas in Standaardnederlands uitdrukt. Er is ook niemand die er in beeld een opmerking over maakt. Bedoeld of onbedoeld serveert de eerste aflevering daarmee discussievoer voor in de leraarskamer en daarbuiten.

Sterk ontwikkelde taalcompetenties zijn voor elke burger essentieel, want taal is het voertuig van ons denken en ons belangrijkste communicatiekanaal. Voor leraren, voor wie het vergroten van het denkvermogen en de communicatievaardigheden van anderen een kernopdracht is, geldt dat in het bijzonder. Elke leraar is een taalleraar en een model taalgebruiker die kinderen en jongeren de schoonheid en functionaliteit van taal in private en publieke domeinen bijbrengt.

De stap lijkt klein om hieruit af te leiden dat een volwassene die de onderwijstaal niet tot in de puntjes beheerst geen leraar kan worden. Leraren die heel competent zijn in het Standaardnederlands kunnen immers best het Nederlands van anderstalige kinderen verrijken, de taalvariant die ze het breedst kunnen inzetten en hen meest de sociale ladder opduwt. Hoe rijk en sympathiek een dialect ook is, buiten een kleine kring heb je weinig aan die taalvariant. Toch is leraren streng selecteren op hun beheersing van de standaardtaal geen goed idee. Doen we dat wel dan is Standaardnederlands niet alleen een hefboom tot inclusie en emancipatie van kinderen maar ook een vergoelijking van exclusie en discriminatie van potentiële leraren. Anderstalige nieuwkomers kunnen volgens die logica nooit leraar worden en dus ook geen identificatiefiguur in het onderwijs waar kinderen die net als zij in een andere taal opgevoed zijn zich kunnen aan optrekken. 

Schild en vriend

Het is een kwaliteit dat leraren de standaardtaal op en top beheersen, maar we mogen er geen halszaak van maken. In het secundair onderwijs krijgen alle leerlingen jaarlijks les van een tiental leraren. Als daar iemand bij zou zijn die goed redeneert en communiceert met een sterk Kempisch accent en een andere persoon zou hetzelfde doen in een schools Nederlands met een Arabische klankkleur waar al eens een verkeerd gekozen lidwoord in opduikt, dan is dat geen ramp. In de kleuterschool of de OKAN-klas (Onthaalklas anderstalige nieuwkomers) daarentegen, waar de taalverwerving nog centraler staat en de leraar in bepaalde gevallen de enige volwassene is die veel tijd met het kind doorbrengt én er Nederlands mee spreekt, mag ons onderwijs zondermeer veeleisend zijn op taalvlak.

Wie onze taal bijzonder zuiver spreekt, zal nooit ervaren hebben hoe taal als een sjibbolet* kan werken, als een simpel objectiveerbaar uitsluitingscriterium. Als je zoals ik ooit te horen hebt gekregen dat je je vinger niet meer moet opsteken als je toch alleen maar in het dialect kan antwoorden, dan weet je hoe taal monden snoert en gedachten bevriest. De klop op je kop is minder fataal dan die na ‘skild en vriend’, maar hij komt ook aan. 

Wat heb je te vertellen?

Hoe je les klinkt, is belangrijk, wat je te vertellen hebt nog veel meer. Meneer Vanneste is meer dan een leraar met een sterk accent die terugkeert naar het onderwijs. Wie alleen gefixeerd is op tekortkomingen, mist wat mensen in hun mars hebben, in en voor de klas. Tijs spreekt de leerlingen aan en is ongetwijfeld een topper wat plastische opvoeding betreft. Indien al zijn leerlingen in Turnhout en Mol vertrouwd zouden zijn met zijn dialect, dan zullen ze wellicht veel kunnen en willen leren van hem. Dat is met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid nog veel meer het geval voor meneer Cels en Latifine, twee leerkrachten die in tegenstelling tot meneer Vanneste echte zij-instromers waren, toen ze de sprong naar het onderwijs maakten. We waren er niet bij toen zij uit de privé overstapten, maar zij zullen niet gezegd hebben dat ze het onderwijs eens zouden proberen… voor een trimester. De maatschappelijke relevantie van de reeks schuilt meer in het engagement en het gevoel van zelfverwezenlijking dat uit hun woorden en daden spreekt dan in een nieuwe vorm van seizoenarbeid waarmee een BV ons entertaint. Zij tonen dat als je uit het goede hout gesneden bent en ervoor gaat, je je de mooie lerarenstiel eigen kan maken en in je nieuwe habitat verdraaid sympathieke collega’s tegen het lijf zal lopen. Hopelijk voelen niet alleen lassers en ingenieurs zich geprikkeld door de glinstering in hun ogen maar ook vertaler-tolken en filosofen, kinesisten en sociologen. 

Leren van toffe collega’s en goede voorbeelden

Het is aan ons, lerarenopleiders en collega-leraren, om niet alleen hun zwaktes en nog te ontwikkelen competenties te zien, maar ook hun talent en hun door ervaring verdiepte expertise. Nieuwe collega’s laten verstaan dat er werk is aan hun taalgebruik staat helemaal niet haaks op het warme welkom dat ze verdienen. Ervaren collega’s die zowel sociaal onderlegd als taalvaardig zijn kunnen stijlvol uitdrukken waarom ze belang hechten aan de kwaliteit van de gesproken taal op school en in die woorden meegeven dat ze in het leerpotentieel van hun nieuwe collega’s geloven. Een goed team helpt ook door in formele situaties zoals personeelsvergaderingen consequent AN te praten of toch minstens een tussentaal te hanteren die aanleunt bij de standaardtaal. De nieuwe krachten zullen de standaardtaal makkelijker spontaan opnemen. Dat werkt best als meneer Vanneste zelf ook een stap zet. We mogen toch aannemen dat als Tijs in zijn geheugen graaft tot in zijn studententijd, hij op zijn minst een tussentaalversie kan vinden die meer aanleunt bij het Standaardnederlands. Die spreken kan veel concentratie vergen en hem een zekere flair kosten, maar hij zou in elk geval wel een positieve attitude ten aanzien van meerdere taalvariëteiten uitstralen, die ook de Taalunie voorstaat.

Optrekken met een gedreven en expressieve collega als mevrouw Paulussen van Nederlands die ongetwijfeld spontaan aandacht heeft voor correct taalgebruik, is een gemakkelijke eerste stap en een minimaal engagement. In minder formele onderwijscontexten zoals in de leraarskamer of op de speelplaats kan hij voor een ander taalregister blijven kiezen. Wie weet, wijst hij later ooit zelf een starter lachend terecht die in het vuur van zijn emotie een onvoorzien overleg zelf nog zworder mokt dan het al is.

Het juiste taalgebruik en het metier in zijn ruimere betekenis oppikken is een gedeelde verantwoordelijkheid in teams, van geëngageerde starters en van modellerende en ondersteunende anciens. Wat die laatste groep zeker ook hoort te doen, maar wat vaak in het verhaal over startende leraren vergeten wordt, is interesse tonen in die nieuwe collega’s. Wie zijn ze? Wat kunnen de school en de collega’s van hen leren? Als wij bij hen te rade gaan, is het voor hen een stuk veiliger om dat ook bij ons te doen. Als meneer Latifine van zijn collega Elektriciteit & Elektronica de eerste week al de vraag gekregen zou hebben hoe de baas in zijn bedrijf vroeger een probleem aangepakt zou hebben of hoe hij er als testingenieur zelf naar kijkt, dan zou het voor hem veel eenvoudiger geweest zijn om eens een lesvoorbereiding of een eerste examen af te toetsen.

Nooit te oud om te leren, die leraren. Nooit te laat om om aan onze taal te werken, Tijs,… schrijft een andere Kempenaar met een Antwerps accent, die zijn nieuwe thuistaal, het Aalsters, nog altijd niet machtig is. 

Johan De Wilde
Lerarenopleider Odisee / voorzitter VELOV

http://vrt.be/indeklas/opiniemeneerVanneste