Lang leve Martine Tanghe!

Als we aan de gesproken Nederlandse standaardtaal denken, dan blijft dat voor velen “de taal van Martine Tanghe”, nog altijd het meest bekende icoon en anker van de VRT-nieuwsdienst.

Boze tongen beweren dat met haar pensionering ook het Standaardnederlands met pensioen zal gaan. Hebben ze gelijk? Een ander taalicoon, Harry Mulisch, voorspelde in 1995 in zijn dankwoord bij de Prijs der Nederlandse Letteren al: “Over vijfenzeventig jaar zal het Nederlands - toch al broos geworden door herhaalde spellingswijzigingen - de tweede taal van de Nederlanders en de Vlamingen geworden zijn, zoals het Fries dat nu voor de Friezen is.”

Wie zich krampachtig vasthoudt aan de norm wordt vandaag door sommigen een beetje als marginaal beschouwd. “Standaardnederlandssprekers zijn elitair en een uitstervend ras. De VRT moet dus het Taalcharter aanpassen en regionale taalvarianten aanvaarden, inclusief tussentaal.” Zo klonk het een paar jaar geleden op een rondetafelgesprek georganiseerd door de VRT in het Leuvense Radiohuis over de vraag of het huidige Taalcharter van de VRT geactualiseerd moet worden.

Hebben ze gelijk?

Confucius - het moet niet altijd Latijn of een haiku zijn - Confucius dus wist het al zoveel eeuwen geleden: “Rekening houden met anderen is de basis van een goed leven en een goede samenleving.” Ik verklaar mij nader aan de hand van een waar gebeurd verhaal.

“Oemarcheerta?” Met die vraag stond een Syrische student enige tijd geleden aan de deur van mijn bureau. Ik had hem een aantal taallessen gegeven om zijn slaagkansen te verhogen want zijn ingenieursdiploma uit zijn thuisland werd in ons land niet erkend. De enige vraag op zijn eerste mondelinge examen klonk Chinees in zijn oren: hij had een toestel voor zich gekregen met daarbij de vraag in tussentaal “Oemarcheerta?”. Hij moest het antwoord schuldig blijven want de docent verduidelijkte niet in Standaardnederlands dat de vraag heel eenvoudig was: “Hoe werkt dit toestel?” Het gevolg was: de student stopte gedesillusioneerd met zijn studies.

Tegenstanders van het Standaardnederlands vergeten dat nieuwkomers zoals mijn Syrische student zo snel mogelijk Nederlands willen kennen, lees: integreren en werk vinden. Omdat elke tussentaal regionaal gekleurd is, net zoals elk dialect, help je hiermee anderstalige nieuwe landgenoten niet. Deze mensen wonen de eerste jaren zelden lang in dezelfde streek en hebben dus een houvast nodig. De enige taal - de enige weg - is die van het Standaardnederlands, dé motor bij uitstek voor integratie want taal is dé bouwsteen van een gemeenschap.

“Taal is alles”, liet Hilde Crevits in een Vlaamse krant als toenmalig minister van onderwijs optekenen. En: “De lat lager leggen mogen we zeker niet”, voegde ze er in interviews herhaaldelijk aan toe. Toch gebeurt dat in de praktijk wel. U herinnert zich misschien dit Twitterbericht van onderwijsspecialist Dirk Van Damme (22 mei 2018): “Er komen erg verontrustende signalen uit de commissies die de eindtermen voorbereiden. De lat wordt erg laag gelegd door een merkwaardige coalitie van netten die de vrijheid voor leerplannen willen maximaliseren en experten die menen dat de lat laag leggen goed zou zijn voor gelijke kansen.” Waarom mogen we geen inspanningen meer vragen?

De middelmatigheid en onze zelfgenoegzaamheid laten zich intussen zien in de cijfers. Het zo geroemde Vlaamse onderwijs zakt weg in internationale rangschikkingen. Zo kwamen de resultaten van de meest recente PIRLS-studie naar taalontwikkeling hard aan. Nog maar vier procent van de Vlaamse leerlingen haalt het hoogste niveau. Dat was ooit anders. Vier procent is evenveel als Frankrijk, maar landen als Trinidad, Slovakije, Italië en Spanje doen het zowaar beter. Opkomende landen uit Azië en Oost-Europa drogen ons af met cijfers boven de 10 en 20 procent.

We zien trouwens eenzelfde tendens voor de kennis van het Frans: amper 45% haalt de eindtermen voor leesvaardigheid. Ook de pogingen om de achterblijvers en drop-outs op te krikken, blijken weinig succesvol. We scoren dus niet op het vlak van excellentie, maar evenmin op dat van gelijke kansen creëren. Waarom kunnen excellentie en gelijke kansen niet samen gaan? Er zijn genoeg buitenlandse voorbeelden die bewijzen dat dit wel degelijk kan.

Vlaams Vertegenwoordiger Axel Buyse verwoordde het ooit zo: “Nu spreken veel jongeren beter Engels dan hun eigen taal. De slinger is doorgeslagen en als we zo voortdoen, isoleren we onszelf tot provinciaaltjes. De standaardtaal moet in ere hersteld worden en de eigen Vlaamse overheid moet hierin het voortouw nemen. Streefdoel moet zijn dat je je in het hele Nederlandse taalgebied vlot verstaanbaar kunt maken.” Inwijkelingen die het integratieprogramma hebben gevolgd, spreken tegenwoordig soms beter Nederlands dan de Vlamingen zelf. Een taal moet zichzelf respecteren, wil ze overleven. Het Standaardnederlands moet daarom de norm blijven en de VRT een rolmodel ervoor.

In onze voortdurend meer intercultureel wordende samenleving is het essentieel dat je een correct en begrijpelijk AN spreekt om niemand uit te sluiten. In Antwerpen en in mijn thuisstad Lokeren alleen al heeft meer dan de helft van de kinderen die vandaag geboren worden een andere taal dan het Nederlands. Dat zal een stevige impact hebben op het onderwijs. We kunnen van leerkrachten niet verlangen dat ze onderwijs in 15 verschillende talen aanbieden. Alleen Standaardnederlands kan hier de voertaal zijn. En dat ervaar ik dus ook in mijn beroepspraktijk waar ik dagelijks geconfronteerd word met studenten van wie de thuistaal niet het Nederlands is en die moeilijkheden hebben om het dialect of de tussentaal van hun medestudenten en docenten te begrijpen, met gevolgen voor hun slaagcijfers. Er was een tijd dat we hen konden aanraden om naar tv te kijken om hun taalvaardigheid Nederlands bij te spijkeren. Vandaag geldt dat bijna enkel nog de nieuwsprogramma’s.

Sommigen - vooral sociolinguïsten - stellen vandaag dat ze willen horen vanwaar iemand komt. Hebben ze gelijk? De kans is in ieder geval groot dat we vanaf nu in een feuilleton dat zich afspeelt in Limburg één zoon Antwerps horen praten en zijn broer West-Vlaams. Het ziet er bovendien naar uit dat we binnen afzienbare tijd dialectisch gekleurde tussentaal zoals “Oemarcheerta” binnenkort ook bij de nieuwsprogramma’s van de openbare omroep zullen horen.

Hoe snel zullen we na 30 november, de laatste werkdag van Martine Tanghe, roepen: “Martine, waer bestu bleven? Mi lanct na di!”. Wie zal het zeggen? Vandaag kunnen we alvast van één zaak zeker zijn: voor wat ze betekend heeft voor het Standaardnederlands, lang leve Martine!

 

An De Moor
An De Moor is talenbeleidcoördinator Odisee en KU Leuven campus Brussel, en jurylid van de Grote Prijs Jan Wauters