Dilemma van een vertaler: de normen van de brontaal of van de doeltaal volgen?

Ich esse gerne Schokolade. Zelfs wie geen woord Duits kent, begrijpt deze zin. Wat de woordvolgorde betreft, lijken het Duits en het Nederlands goed op elkaar. Beide zijn Germaanse talen, waarin de zin bestaat uit twee (verbale) polen en drie velden: het voor-, midden- en achterveld. Dat wordt hieronder geïllustreerd aan de hand van het zinsdeel op de markt. In een hoofdzin wordt de eerste pool ingevuld door de persoonsvorm in de zin (1), in een bijzin door het voegwoord (2). 

  • (1)
    Op de markt | gaat | ₚ₁ hij groenten | kopen | ₚ₂. (voorveld)
    Hij gaat op de markt groenten kopen. (middenveld)
    Hij gaat groenten kopen op de markt. (achterveld)
  • (2)
    Hij zegt dat hij op de markt groenten gaat kopen. (middenveld)
    Hij zegt dat hij groenten gaat kopen op de markt. (achterveld)

De twee polen vormen een denkbeeldige tang rond alle elementen in het middenveld, vandaar de benaming ‘tangconstructie’. In het Nederlands wordt de tang overspannen als de grijpers van de tang te ver uit elkaar staan: als de tweede pool als het ware te lang op zich laat wachten, en het middenveld te lang wordt. Dat wordt aangetoond in de volgende zin:

  • Het Spaans Hooggerechtshof heeft geoordeeld | dat | ₚ₁ de regering in Madrid vanaf volgende week woensdag met haar plan om de stoffelijke resten van de familie van Franco op te graven en te verhuizen naar een begraafplaats ten noorden van Madrid, | mag doorgaan | ₚ₂. 

Door de tweede pool helemaal achteraan te plaatsen, moet de zin aan begrijpbaarheid inboeten. Beter verplaatsen we de tweede pool (mag doorgaan) vóór het zinsdeel met haar plan om de stoffelijke resten van de familie van Franco op te graven en te verhuizen naar een begraafplaats ten noorden van Madrid.

Om de begrijpbaarheid van de zin te optimaliseren zullen taalgebruikers ervoor kiezen om zinsdelen naar het achterveld te verplaatsen. Dat is althans het geval in het Nederlands. In het Duits is de tang veel strikter: het achterveld blijft nagenoeg leeg en de tweede pool (de werkwoordelijke eindgroep) komt vrijwel altijd helemaal achteraan te staan.

Oordeel over Nederlandse zinnen

Aan de hand van een experiment heb ik in mijn masterproef geprobeerd het gedrag van vertalers te analyseren tijdens het vertaalproces. Daarvoor vormde ik zes zinnen: zes hoofdzinnen gevolgd door een bijzin ingeleid door het voegwoord dat, daß in het Duits. Ik koos voor bijzinnen, omdat daarin slechts twee beschikbare velden zijn: het middenveld en het achterveld (het voorveld wordt altijd ingenomen door de hoofdzin). In elke bijzin stonden twee zinsdelen die zowel in het middenveld als in het achterveld konden staan.

Nadat ik de zinnen in het Nederlands gevormd had, vroeg ik aan zes participanten om aan te geven welke versie van de zinnen ze het natuurlijkst (i.e. meest idiomatisch) vonden klinken: die met beide zinsdelen in het middenveld, die met één zinsdeel in het middenveld en één in het achterveld of die met beide zinsdelen in het achterveld.

Belangrijk is om op te merken dat het middenveld in de zinnen sowieso al niet leeg was (er stonden al verplichte zinsdelen in, zoals het onderwerp), en dat de versie waarin beide zinsdelen in het middenveld stonden, enorm lang was.

Wat bleek? De participanten gaven steevast aan dat ze de versie van de zinnen met beide zinsdelen in het middenveld niet echt ‘Nederlands’ vonden klinken, en kozen voor de versies met één zinsdeel in het middenveld en één in het achterveld, of met beide zinsdelen in het achterveld.

Duitse zinnen zelf vertalen

Daarna liet ik de zinnen vertalen door een Duitse native speaker naar het Duits. Zoals verwacht, stonden in de Duitse zinnen wél beide zinsdelen in het middenveld: het achterveld bleef altijd leeg. Die zes Duitse zinnen vormden het onderzoeksmateriaal voor mijn masterproef. Ik vroeg aan vijftig participanten (veertig met een vertaalachtergrond Duits en tien die die achtergrond niet hadden) om de zinnen te vertalen naar het Nederlands, om te zien of ze

(a) trouw bleven aan de volgorde in het Duits en beide zinsdelen in het middenveld plaatsten;
(b) een middenweg zochten en één zinsdeel in het middenveld plaatsten en één in het achterveld;
(c) probeerden om de zin zo begrijpelijk mogelijk te maken door de tweede pool zo veel mogelijk naar voren te plaatsen en beide zinsdelen in het achterveld te plaatsen.

De resultaten van mijn onderzoek waren verrassend: vertalers kozen er in het merendeel van de gevallen voor om de volgorde te behouden zoals die er stond in de Duitse bronzin. Ze plaatsten dus de tweede pool, de werkwoordelijke eindgroep, helemaal achteraan.

Vervolgonderzoek, meer bepaald onderzoek naar de attitudes van vertalers, kan uitwijzen waarom vertalers net op die manier vertalen, terwijl ze wel aangeven dat ze die versies (met een lang middenveld) niet echt natuurlijk vinden klinken.