Denkende haren

Ruud Hendrickx

Professor Bénédicte Lemmelijn is lid geworden van de Bijbelcommissie van paus Franciscus. Ze is gevraagd, ze heeft er niet voor gesolliciteerd. “Er is geen haar op mijn hoofd die hieraan gedacht had. Ik doe gewoon mijn academisch werk.” En van die denkende haar kijken heel wat lezers van vrtnws.be vreemd op.

Laat ik maar meteen zeggen dat er niets mis is met de zin. In het overgrote deel van het Nederlandse taalgebied wordt een onderscheid gemaakt tussen ‘de haar’ en ‘het haar’. Dat geldt voor heel Nederland en het oostelijke deel van Vlaanderen. Professor Lemmelijn woont in Zoutleeuw, in het oosten van het land.

‘De haar’ verwijst naar één spriet, ‘het haar’ naar alle sprieten samen. Wie ‘de haar’ zegt, heeft het ook over ‘een grijze haar’ en ‘een vieze haar in de soep’. Ik kan me voorstellen dat dat heel fout klinkt in de oren van mensen die altijd ‘het haar’ zeggen. Net zoals het in mijn Tiense oren wel héél vies klinkt, als iemand vraagt om ‘dat haar’ eens uit de soep te halen. Het lijkt voor mij wel of iemands pruik in de soep gevallen is.

Als je, net zoals professor Lemmelijn, over één spriet spreekt als ‘de haar’, dan zeg je natuurlijk ook: geen haar op mijn hoofd die eraan gedacht had. De haar denkt, niet het hoofd. En bij ‘de haar’ hoort uiteraard een verwijzing met ‘die’. In een gesprek met Xavier Taveirne op Radio 1 hoor je haar heel duidelijk 'die' zeggen.