‘Beste’

Gezel

uit het niets kwam u op me af, boog u zich
naar mij toe: ik wil u wel gezelschap houden.
u gaf niet meer details. u zei niet: even. u zei

niet: een leven lang. u zei niets over een hand
vasthouden, u zweeg over mij verblinden
met uw lijf. ik had nooit in uw ogen mogen

zinken, mijn hoofd had ik moeten afwenden
zodat u het niet gek had weten maken. u
zou goed gezelschap zijn. en ik geloofde dat.

David Troch

 

Beste

Ken je dit gedicht, dat ik hierboven letter voor letter heb overgetypt? Heb je het ooit gelezen, jij tegen wie ik vaak lachend zei dat je waarschijnlijk alles had gelezen, elk Nederlands boek en elk Nederlands gedicht? En als het gedicht je ooit onder ogen is gekomen, en je het las, tot de laatste zin, en de woorden tot je doordrongen, heb je dan aan mij gedacht?

Het was de taal die ons samenbracht. Het waren woorden die ons aan elkaar lijmden, eerst geschreven woorden, en daarna woorden die langs onze lippen gleden en in elkaars ogen landden, zo zacht als een libelle op het water neerstrijkt, en daarna woorden die zich langs de schelpen van onze oren een weg kronkelden naar ons hart.

Ik weet nog hoe je lichaam zich naar me toe wendde, toen we naast elkaar op de bank zaten en ik dacht dat je me zou kussen, maar dat deed je niet, of eigenlijk wel, je gaf me de innigste kus die iemand een ander ooit kan geven, in de vorm van de vier mooiste woorden van de Nederlandse taal: ‘Ik zie je graag.’

‘Ik zeg dat niet snel tegen iemand’, zei je. ‘En nooit zei ik het zo snel als tegen jou.’
‘Ik zie je ook graag’, zei ik, ‘en nooit zei ik het zo snel als tegen jou.’

Onze woorden weerspiegelden zich terwijl onze lijven hun eigen taal spraken – de enige taal ter wereld waarvoor geen lettergrepen, woorden, zinnen en leestekens nodig zijn.

Jarenlang waren het niet alleen onze lichamen die zich aan elkaar hechten, maar was het meer nog met woorden dat we elkaar verleidden. Berichtjes stuurde je me, met nooit zomaar droge mededelingen, maar met woorden die zinderden en gloorden:

Et ne m'en veux pas si je te tutoie
Je dis tu à tous ceux que j'aime

(Jacques Prévert)

In het Nederlands:

En neem het me niet kwalijk als ik ‘je’ tegen je zeg
Ik zeg ‘je’ tegen al wie ik liefheb

Je bleef geen ‘je’ zeggen. Met haast zo weinig woorden als waarmee je zei dat je van me hield, en dat je je niet kon voorstellen dat, als we ooit uit mekaar zouden zijn, we niet meer met elkaar zouden praten, deed je de deur van je taal voor me dicht.

Twee telefoontjes.
Twee sms’jes.

En daarna, toen ik behoefte had aan meer woorden, aan misschien gewoon een paar troostende in plaats van aan vleesetende; aan zalvende in plaats van rottende, volgde het grote zwijgen. Als er al eens een antwoord kwam op mijn vraag om woorden; woorden die ik kon meenemen als finale herinnering, kwam je, als opener van wat je me schrijven zou, met dat ene woord dat me finaal deed breken: ‘Beste’.

Beste.

En ik ging kopje onder.

Of je dat alsjeblieft niet wilde zeggen, schreef ik, want dat we beiden toch gevoelig waren voor woorden, en dat ik je toch niets had misdaan, en dat je kille ‘beste’ me zoveel pijn deed.

Je antwoord op die zinnen? ‘Beste’.

Je brak me met je woorden, en terwijl jij mij allang hebt opgeborgen in het archief van je eigen taal, ben ik mezelf nog altijd aan mekaar aan het lijmen. Met taal. Met woorden.

Maar zonder jou.

 

ik had nooit in uw ogen mogen

zinken, mijn hoofd had ik moeten afwenden
zodat u het niet gek had weten maken. u
zou goed gezelschap zijn. en ik geloofde dat.