“Als het over taal gaat is de Vlaming een rasechte sadomasochist”

De Collega's

Eén standaardtaal, gekend en gesproken door alle Vlamingen. Ongeveer 200 jaar nadat die droom werd geboren, lijkt het tijd om die weer op te bergen. Vlamingen hebben zich vandaag massaal tot de tussentaal bekeerd. Een taal die we, afgaande op de discussie van afgelopen week, nog geweldig haten ook. ‘Als het over taal gaat zijn we gepatenteerde sadomasochisten.’

Het idee ontstond ergens in het eerste deel van de negentiende eeuw. Verlichte geesten als Jan-Frans Willems (die van het Willemsfonds) en later Jean-Baptist David (die van het Davidsfonds) droomden er toen hardop van om het arme Vlaamse volk te emanciperen door het van het Franstalige juk te bevrijden.

Om die droom te realiseren had Vlaanderen, toen nog een amalgaam van enkele honderden dialecten, een gemeenschappelijke taal nodig. Welke taal? Eind negentiende eeuw werd besloten om het Nederlands zoals dat in het hart van Holland werd gesproken als standaard te nemen. Alleen zo zou Vlaanderen kunnen wedijveren met de dominante Franse cultuur.

De keuze voor het Nederlands zoals dat in het noorden wordt gesproken, luidde het begin in van een heuse taalzuiveringsoperatie. Elke Vlaming werd aangespoord om Algemeen Beschaafd Nederlands te leren, flamingantistische bijbedoelingen waren daarbij nooit ver weg. De strijd voor het ABN was ook, en misschien wel vooral, een strijd tegen Franse invloeden.

De strijd neemt een hoge vlucht als in het midden van de vorige eeuw de massamedia in Vlaanderen hun intrede doen. In de jaren zestig start Marc Galle, een notoir flamingant, op de radio zijn taalrubriek ‘Voor wie haar soms geweld aandoet’. Met ‘Hier spreekt men Nederlands’ krijgt ook televisiekijkend Vlaanderen uitgelegd wat goed en slecht Nederlands is. Tegelijk doorkruisen de zogenaamde ABN-kernen, aangevoerd door onder meer de jonge studenten Wilfried Martens en Geert Van Istendael, het Vlaamse land. Hun missie: de taal van onze schoolgaande jeugd zuiveren.

Aldus leert Vlaanderen in de jaren vijftig en zestig dat ‘de bomma’ eigenlijk een oma is. ‘Den bompa’ moet de Vlaming opa noemen, de camion met mazout die hij bestelde, hoort een vrachtwagen met stookolie te zijn. Zijn vallingen moesten verkoudheden worden.

Verhollandsing

De standaardisering (sommigen zullen zeggen ‘verhollandsing’) lijkt een eerste hoogtepunt te hebben bereikt als in 1963 het Suske en Wiske-album ‘De Nerveuze Nerviërs’ verschijnt. Voortaan, zo besluit de dame formerly known as Tante Sidonie, zal er in haar huis “beschaafd Nederlands” gesproken worden. “En daarom wil ik voortaan Sidonia heten.”

Volgt Vlaanderen het voorbeeld van Sidonia? Een aantal spraakmakers duidelijk wel. Behalve de al genoemde Wilfried Martens, bedienen ook politici als Marc Eyskens en Willy Claes zich van bijna perfect Standaardnederlands. Al even onberispelijk, soms zelfs licht Hollands, is het Nederlands van toonaangevende schrijvers en journalisten als Piet Piryns, Hugo De Ridder of Hugo Claus.

Maar of de rest van Vlaanderen hen volgt? Taalsociologe Sarah Van Hoof (UA) verwijst in dit verband naar ‘De Collega’s’, de sitcom die begin jaren tachtig razend populair was in Vlaanderen. Bijna alle personages spreken hier tussentaal. Een uitzondering is Jomme Dockx, de goeige, niet heel intelligente dikzak, die dialect spreekt. Aan de andere kant van het spectrum is er Bonaventuur Verastenhoven, de onderafdelingschef. Verastenhoven, een verdoken homoseksueel, spreekt perfect Standaardnederlands en wijst zijn collega’s voortdurend op hun fouten. Wellicht onbedoeld verraadt de sitcom dat AN spreken, ondanks alle strijd, ook in het begin van de jaren tachtig door veel Vlamingen als pedant werd ervaren. Iets voor mensen met maniertjes.

Het was 1989 toen Geert van Istendael in een beroemd geworden opstel bijzonder fel te keer ging tegen het Verkavelingsvlaams, een fenomeen dat zich volgens hem als een “olievlek” over het gewest verspreidde. 1989 is ook het jaar waarin VTM begon uit te zenden, de commerciële zender die volgens veel cultuurcritici mede verantwoordelijk is voor de opmars van dat verwerpelijke Verkavelingsvlaams.

Verwerpelijk of niet, de opmars van het fenomeen is niet te stuiten. Onderzoek naar het taalgebruik van politici (DM 31/08) leert dat de nieuwere generatie zich veel vaker van tussentaal bedient dan de generatie-Martens. Met Tom Lanoye en later ook Dimitri Verhulst staan schrijvers en spraakmakers op die nauwelijks nog moeite doen om hun afkomst te verbergen.

De schuld van VTM? “Het valt moeilijk te bewijzen”, zegt Kevin Absillis (UA), een van de aanstichters van de actuele discussie over tussentaal. “Ongetwijfeld heeft de komst van VTM ervoor gezorgd dat duizenden Vlamingen niet langer naar de Nederlandse zenders uitweken voor een portie amusement. De meeste Vlamingen kregen daardoor haast nooit meer die variant van het Nederlands te horen. Maar ik hoed me voor analyses waarin VTM de schuld krijgt voor de algehele verdomming van de Vlaming. Jozef Deleu heeft VTM ooit een “machine van verdomming” genoemd. Op die manier stigmatiseer je honderdduizenden Vlamingen, zoals je ook honderdduizenden Vlamingen stigmatiseert door hun taal als Verkavelingsvlaams te etiketteren.”

Waarom wilde de Vlaming niet aan het Standaardnederlands, en zocht hij meer en meer zijn toevlucht tot Verkavelingsvlaams? In zijn artikel ‘Waarom het Verkavelingsvlaams onvermijdelijk was’ (afgedrukt in het zopas verschenen boek ‘De manke usurpator’) zoekt de filoloog José Cajot een verklaring in de keuze die Vlaanderen eind 19de eeuw maakte voor het noordelijk Nederlands als standaard. Dat de Vlaming zich de standaardtaal nooit eigen maakte, hoeft niet te verbazen, redeneert Cajot, want het is “de taal van een ander land”.

Vlamingen maken geen deel uit van de Nederlandse communicatiegemeenschap, het verlangen er wel deel van uit te maken bestaat volgens Cajot “volstrekt niet”. Anders gezegd: Vlamingen kunnen of willen geen taal spreken die ze niet als de hunne ervaren. In plaats van een opgelegde standaardtaal, heeft zich, op een volstrekt natuurlijke manier, een tussentaal ontwikkeld waarvan “de variatiemarge” steeds nauwer wordt. Deze taal, schrijft Cajot, is “de informele omgangstaal van alledag, op het werk, in de winkel, de taal waarin de Vlaamse politicus debatteert in het parlement, ook het idioom van de uitleg in de wiskundeles, zelfs van nieuwslezers tijdens hun redactievergaderingen.”

Maar met dit Verkavelingsvlaams is iets vreemds aan de hand. Hoewel het in de praktijk zeer goed blijkt te functioneren als de gulden middenweg tussen het ‘te boerse, onverstaanbare’ dialect en de ‘te deftige, Hollandse standaardtaal’, voelen we er ons kennelijk toch niet zo lekker bij. Toen Kevin Absillis en zijn collega’s afgelopen dinsdag in deze krant vertelden dat we maar eens moeten ophouden om tussentaal te verketteren, kregen ze een stortvloed van soms ronduit vijandige reacties over zich heen. Iets positiefs zeggen over de taal die we allemaal spreken, het blijft een geweldig taboe.

Kosmopolitisme

Vraag is dan wat de Vlaming nu eigenlijk wel wil spreken. Het Nederlands van Verastenhoven? Pedant. De licht Hollandse tongval van Claus? Horror. Het dialect van Jomme Dockx? Boers. Verkavelingsvlaams? Bekrompen.

“Soms”, zegt Kevin Absillis, “denk ik dat Vlamingen, als het over taal gaat, gepatenteerde sadomasochisten zijn. Uiteraard heb ik over dit onderwerp al heel vaak gediscussieerd. Bijna altijd trekken mijn gesprekspartners van leer tegen dat ‘tussentaaltje’. Als ik hen er vervolgens op wijs dat ze dat taaltje zelf aan het spreken zijn, beginnen ze zich altijd weer te excuseren. Allemaal vinden we dat we de standaardtaal moeten kunnen beheersen – het is ons brevet van ons kosmopolitisme. Tegelijk is er zo goed als niemand die het kan of wil spreken. De spagaat is echt enorm.”

Volgens Absillis wordt het tijd om onze dromen op te bergen en wat realistischer met onze taal omgaan. “De dag dat alle Vlamingen standaardtaal spreken en schrijven, die zal allicht nooit komen. We hebben het tweehonderd jaar lang geprobeerd, en het is niet gelukt, dus ik zie niet in waarom het de komende vijftig jaar plots wel zou lukken. Daarom pleit ik er ook voor dat we beter leren omgaan met onze taalvariaties. We zullen het nodig hebben, want onder invloed van de migratie en het Engels zal onze taal nog meer dan vroeger veranderen.”

© 2012 De Persgroep Publishing