Académie française: het is ‘la covid-19’

Eind vorige week heeft de Académie française de knoop doorgehakt: het is ‘la covid-19’ en niet, zoals zovele Fransen zeggen, ‘le covid-19’.

Een afkorting krijgt het woordgeslacht van het hoofdwoord, zegt de Académie. Voor een anderstalige afkorting geldt het geslacht van de Franse vertaling van het hoofdwoord. Daarom is het ‘la CIA’, omdat het Engelse woord ‘agency’ overeenstemt met het vrouwelijke Franse woord ‘agence’, en het is ‘le FBI’ omdat het woord ‘bureau’ in het Frans mannelijk is.

Dus, zegt de Académie, moeten we ‘la covid-19’ zeggen. COVID is de verkorting van ‘corona virus disease’. ‘Disease’ is in het Frans ‘maladie’. ‘Maladie’ is een vrouwelijk woord en daarom is ‘covid-19’ ook vrouwelijk.

man met mondmasker aan tafel

En hoe zit dat in het Nederlands? Volgens de Grote Van Dale zijn ‘COVID-19’ en de informele verkorting ‘covid’ allebei vrouwelijk. De redenering daarachter spoort met die van de Académie. Sowieso zijn de meeste Engelse woorden in het Nederlands de-woorden en ‘ziekte’ (de vertaling van ‘disease’) is vrouwelijk. Maar klopt de theorie wel met de praktijk?

In de praktijk gebruiken we ‘COVID-19’ zelden of nooit met een lidwoord. Daardoor hebben we er ook geen intuïtie over. De enige manier om het woordgeslacht van ‘COVID-19’ te achterhalen, is te kijken naar het betrekkelijk voornaamwoord aan het begin van de bijzin. Heel concreet, wat zeggen we spontaan? “COVID-19, die mensen in het ziekenhuis laat belanden” of “COVID-19, dat mensen in het ziekenhuis laat belanden”?

Allebei, zo blijkt uit een minionderzoek van recente Vlaamse en Nederlandse kranten. De ene journalist heeft het over covid, “dat voorlopig veel minder slachtoffers heeft gemaakt dan aids”, de andere over jongeren die niet bang zijn voor covid, “die hen slechts een weekje te bed zal houden”. Wij, Nederlandstaligen, zijn er dus nog niet uit.