Schrijven wat je hoort

Miet Ooms

In juni dit jaar heb ik enkele bachelorscripties van studenten Theoretische taal- en letterkunde beoordeeld. De studenten hebben ouderwets, met de hand, taalkaarten getekend op basis van de Reeks Nederlandse Dialectatlassen (RND) en taalhistorische duiding gegeven bij de klankverschijnselen die ze in kaart brachten. De RND is een verzameling van 141 zinnen die tussen 1923 en 1982 voor vrijwel elke plaats fonetisch in het dialect genoteerd zijn. Onthoud die periode, dat komt nog terug.

Een van de studenten zocht voor enkele losse, afwijkende klanken uit kleine dorpjes een verklaring in de klankontwikkeling. IJverig, maar vergezocht. Er is een andere uitleg voor die veel meer voor de hand ligt, maar dan moet je voorbij de zinnen op het computerscherm kijken.

De Vlaamse delen van de RND, de oudste van de reeks, zijn dus verschenen tussen 1925 en 1962. Je kunt het je nu moeilijk voorstellen, maar in die tijd bestonden er geen draagbare toestellen waarmee je geluid kon opnemen. Hoe pakten ze het toen aan? Ik moest meteen denken aan de openingsscène van een van mijn favoriete films ooit: My Fair Lady. Korte samenvatting van de film, voor de jongere mensen onder ons: professor Henry Higgins, een foneticus, wedt met zijn vriend, kolonel Pickering, dat hij elke vrouw kan laten doorgaan voor een hertogin, gewoon door haar behoorlijk te leren spreken en voldoende etiquetteregels bij te brengen. Het proefkonijn van dienst is de bloemenverkoopster Eliza Doolittle (een prachtige Audrey Hepburn), die met een heel zwaar Cockney-accent spreekt. Als je wil weten hoe hij dat aanpakt en of het lukt, moet je maar eens naar de film kijken. Tweeënhalf uur genieten voor elke taal- en musicalliefhebber. Belangrijk voor dit verhaal: My Fair Lady speelt zich af in het jaar 1912.

We gaan naar de openingsscène: foneticus Henry Higgins noteert tijdens een regenachtige avond de uitspraken van bloemenmeisje Eliza Doolittle in fonetisch schrift in een schriftje. Wanneer Eliza dat merkt, uit ze luidkeels haar verontwaardiging, omdat ze denkt dat ze in de problemen zit. Higgins laat haar zien wat hij geschreven heeft, maar zij kan zijn fonetisch schrift uiteraard niet lezen. De man demonstreert meteen dat hij van iedereen uit elke sociale klasse kan zeggen waar hij of zij vandaan komt, puur op basis van hun uitspraakkenmerken. Hij laat zich ook denigrerend uit over het accent van Eliza, die prompt nog meer misbaar maakt.

Deze scène illustreert perfect hoe de fonetici van die tijd, zelfs tot ver in de twintigste eeuw, aan hun onderzoeksmateriaal kwamen: ze luisterden en noteerden alles zo snel mogelijk in fonetisch schrift. Op die manier is ook de Reeks Nederlandse Dialectatlassen ongeveer tot stand gekomen: wetenschappelijk medewerkers uit de betreffende provincie, die meestal zelf ook dialectsprekers waren, en die het fonetische schrift uitstekend beheersten, trokken eropuit om in élke plaats aan één of twee dialectsprekers dezelfde 141 zinnen voor te leggen. Die moesten die zinnen dan in hun dialect vertalen.

Sluit je ogen en probeer het je voor te stellen: de onderzoeker springt op zijn fiets of de tram of bus, of, vanaf de jaren vijftig, zijn brommertje en trekt, gewapend met pen of potlood en notitieblok, de regio door, op zoek naar een bereidwillige NORM. Dat letterwoord staat voor Non-mobile Old Rural Man, liefst laaggeschoold, want dat waren de perfecte dialectsprekers. Die mensen moesten dan die 141 zinnen in hun dialect vertalen, een opgave die verschillende uren duurde. En intussen noteerde de onderzoeker ijverig elke klank, elke intonatie, elk opvallend dingetje dat hij hoorde. Dat gebeurde vermoedelijk meestal thuis, maar ik heb eens een opmerking gelezen over een opname op café, ‘tussen pot en pint, onder het genot van een pijp’. Je mag je ogen nu weer open doen.

Hou dat beeld nu even vast: twee mannen aan een tafel, de ene wat gewichtig met zijn notitieboek en potlood in de hand en de andere met zijn mooiste pet op het hoofd, tussen pot, pint en pijprook, die urenlang zinnen herhalen en uitspreken. Voor de wetenschap. Bekijk die dialectzinnen online nu nog eens en denk er die sfeer bij, uren aan een stuk.

En nu terug naar de ijverige bachelorstudent die allerlei theorieën losliet op die zeldzame afwijkingen in die kleine dorpjes. Volgens mij is de verklaring veel eenvoudiger. Er zal tussen die potten en pinten, of zelfs gewoon aan de keuken- of salontafel in de ‘mooie kamer’, hier en daar al eens een klank verkeerd genoteerd zijn. Een a die als o klonk, een e die op een i leek, een ou die als au geïnterpreteerd werd. Zeker als de onderzoeker een dialect moest noteren van buiten zijn eigen regio, vol klanken die hij zelf niet eens kende.

Begrijp me niet verkeerd: de fonetici van die tijd hadden een buitengewoon scherp, getraind gehoor en ze konden onvoorstelbaar snel en accuraat fonetisch schrijven. De Reeks Nederlandse Dialectatlassen en al het andere materiaal uit die tijd zijn dus nog altijd een heel degelijk en betrouwbaar. Maar ze zijn ook samengesteld door mensen en die kunnen nu eenmaal fouten maken.

Hoe zou je zelf zijn als na uren noteren de vermoeidheid, pot, pint en pijprook zich stilaan laten voelen?