Leedwoorden

Benedikte Van Eeghem

Ze zeggen van een moedertaal dat ze in je DNA zit en dat je ze moeiteloos spreekt. Sta me toe om te zeggen dat het Nederlands nogal complex is, waardoor een mens toch struikelt over die vanzelfsprekendheid. Neem nu de lidwoorden. Het zijn kleine instinkers waarbij ‘aanvoelen’ niet garandeert dat je het juiste lidwoord kiest.

Zo leerden wij op school ooit dat ‘de kraam’ grammaticaal correct is. De marktkraam, de kermiskraam, de groentekraam. Toch klonk die combinatie in mijn oren steevast als een tang op een varken. ‘Het’ kraam bekt lekkerder, vond ik, en bij nader inzien is het net zo correct. Van Dale aanvaardt beide lidwoorden, zonder enig onderscheid. Zonde dat onze leerkracht dat nooit heeft vermeld.

Nog zo’n dwarsligger is het substantief ‘deken’. Voor mij past daar louter een ‘het’ bij. Maar ook hier laat de peetvader der Nederlandse woordenboeken ruimte voor variatie. ‘De’ is toegestaan, zoals in ‘ik slaap onder de dikke deken’. Zo’n zin klinkt compleet maf als je weet dat een deken ook iemand kan zijn die toezicht houdt op een parochie. Los van het feit dat ik daar liever niet onder slaap, is die persoon zelden of nooit onzijdig, geen ‘het’ dus, tenzij het een vurig aanhanger van de lgbtq+-beweging betreft. Dan zal die onzijdigheid hem vast bekoren.

Maar we dwalen af. De hamvraag blijft waarom bepaalde lidwoord- en naamwoordcombinaties klinken als ‘het’ tang op ‘de’ varken. Heeft het misschien iets met sonoriteit te maken? Decennia geleden oreerde een bevlogen professor daar urenlang over op de universiteit. De sonoriteit in het Nederlands, zo vertelde hij, verhindert dat sommige klanken mekaar opvolgen. Daarom kan er nooit een kt- of mp- vooraan een woord staan. Hij voegde er wel aan toe dat de naam van Rode Duivel Mbo Mpenza het tegendeel bewees. Mbo komt uit Congo, daar spreken ze officieel geen Nederlands, dus daar waren die botsende medeklinkers vet oké.

Misschien zijn ‘de deken’ en ‘de kraam’ ook zo’n fout klinkend huwelijk. Niet sonoor, om het chic te zeggen. Daardoor schrijf ik op bepaalde momenten gewoon een hutje waar een dutje evenzeer aanvaard wordt. Met een knipoog noem ik lidwoorden daarom stiekem leedwoorden. Ze veroorzaken twijfel en kleine kortsluitingen in de grijze massa. Dat jeukt een beetje en er bestaat geen remedie tegen, tenzij je taalgewijs gewoon je eigen koers vaart.

De toiletdame in station Antwerpen-Berchem doet dat met brio, mocht u dat nog niet weten. Toen ik niet gek lang geleden haar stek bezocht en devoot 50 cent neertelde voor een plas, was ik gecharmeerd door het opschrift op haar papierdispenser. Bij haar geen gedoe meer over ‘de’ of ‘het’ papier, over sonoriteit of wat Van Dale adviseert. Madame Pipi gaat recht door zee en schrijft ‘des’ papier*. Aan zoveel vastberadenheid kunnen wij taalpuristen van de parking vlot een puntje zuigen.

 

(* spreek uit als: dèès)