‘Taal draait om emotie en binding’

Benedikte Van Eeghem
Mira Feticu (foto: © Loes Sleedoorn)

‘Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal’: zo heet het nieuwe boek van Mira Feticu. Ze werd geboren in Roemenië maar verkaste om de liefde naar Nederland, waar ze intussen al vijftien jaar woont. In die periode heeft ze zich de taal eigen gemaakt. ‘Een worsteling’, zegt ze daarover. Die worsteling is de perfecte trigger voor een interview op zaterdagmorgen. Ik zit thuis, Mira zit in haar werkkamer in Den Haag. Ze trapt ons gesprek via de laptop breed glimlachend af terwijl ze een sigaret opsteekt. Het doet me stiekem verlangen naar de tv-debatten in de jaren negentig, waar hoge heren achteloos hun rookwaar bovenhaalden om een betoog kracht bij te zetten. In 2021 doet Feticu het ook, uit liefde voor de taal en al wat haar in het diepst van haar ziel raakt.

Jouw verhaal begon in 1973 in Roemenië. Je ging er vrij jong als publicist en radiomaker aan de slag. Taal is jouw instrument om zaken te bepleiten. Hoe is de liefde voor die taal ontstaan?

De liefde is door de jaren heen gegroeid. Mijn ouders waren eenvoudige mensen, ze hebben nooit gestudeerd. Mijn vader had wel een grote liefde voor boeken en kennis, net omdat hij op dat vlak veel gemist had. Kennis werd voor hem een obsessie en ik moest die obsessie in zekere zin waarmaken. Taal was er een onderdeel van. Mijn ouders hebben me dus een droom meegegeven. Ze verwachtten dat ik de weg van die droom bewandelde en ging realiseren wat zij nooit hadden kunnen realiseren.

Ervoer je dat als een druk? Of eerder als een stimulans?

Het was dubbel, alweer omwille van mijn vader. Je moet weten dat er bij ons vroeger niet gek veel mensen op bezoek kwamen. Ze wilden dat liever niet omdat hij de gewoonte had om uit te pakken met wiskundeoefeningen, of om bezoekers te testen op literaire kennis. Dat schrok af. Maar toch heb ik het nooit als ‘druk’ ervaren, het ging gewoon anders dan bij anderen.

De oven waarin gebak rijst

Het heeft je alvast geholpen om te worden wie je nu bent. Een vechter. Je hebt in je carrière geregeld maatschappelijke en complexe thema’s ter tafel gelegd. Hoe belangrijk is taal daarbij?

Taal is alles. Het is de oven waarin het gebak rijst, zonder taal kun je nergens heen. Nederlands is letterlijk de nieuwe kans die ik vijftien jaar geleden heb gekregen. Zonder taal was ik niets geweest of geworden. Dat was vooral in het begin hier duidelijk. Toen ik voor het eerst op bezoek ging bij mijn schoonmoeder, verstond ik geen woord van wat er gezegd werd. Er speelde muziek en ik vluchtte weg naar het toilet om te huilen. De muziek was de enige menselijke factor die mij met de anderen bond, verder kon ik me niet uiten. Ik was een vreemde met wie de zoon van die mensen was thuisgekomen. Ik voelde me letterlijk dom, omdat ik uit mijn thuisland was weggegaan.

Dat gevoel keert voortdurend terug in ‘Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal’. Je identiteit beheerst alles, je kaart letterlijk aan dat je niemand bent in een land als je de taal niet spreekt.

Dat ís ook zo. Ik voelde me aanvankelijk niemand. In de mythologie gebruikt Odysseus dat gevoel om zichzelf te redden, maar ik was vijftien jaar geleden zo slim niet. Ik voelde me niemand, omdat ik in de ogen van anderen geen waarde had. Toen ik aan het werk ging, had ik plots een baas die erg vriendelijk deed. Maar ik kon dan weer niet in detail verwoorden waarom ik die vriendelijkheid overdreven en raar vond. Hij ging te ver, maar tegelijkertijd was hij de enige die connectie maakte met mij. De nuances lagen dus moeilijk. Ik wou duidelijk maken dat ik niet beantwoordde aan het beeld dat hij van me had. Pas jaren later is me dat gelukt en heb ik een boek over de thematiek van #metoo geschreven.

Je onderstreept in je jongste boek hoe belangrijk het is om actief een taal te leren. ‘Er zijn mensen die na jaren in Nederland te wonen, geen woord Nederlands spreken en er zijn Nederlanders die al jaren granaatappel verkopen zonder de naam ervan te kennen’, zeg je. Is dat een brok kritiek op mensen die jouw voorbeeld niet volgen?

Zeker. Buitenlanders denken vaak dat een taal eigendom is van wie in dat land geboren is, maar dat is absoluut niet waar. Taal kun je je altijd eigen maken. Nederlands is niet van de Nederlanders, je kunt het leren. Natuurlijk is het moeilijk om na je dertigste nog een tweede taal perfect te beheersen: ik doe het zelf ook niet voor honderd procent. Maar dat betekent niet dat het iemand anders’ domein blijft. Jij kunt het ook betreden. Het geeft je vrijheid en kracht en stelt je in staat om aan de maatschappij deel te nemen. Als ik op de tram tegen de chauffeur kan zeggen: ‘Meneer, u heeft zich vergist’, dan is dat is voor mij stukken belangrijker dan promotie krijgen op het werk.

Hondenpoepconflict

Er is natuurlijk die drempel waar je overheen moet. Je hebt zelf jaren geworsteld met het Nederlands. Begrijp je dat mensen tijdens dat proces afhaken?

Uiteraard begrijp ik dat, maar toch is het geen goed excuus. En ik heb een hekel aan het feit dat Engels dan als oplossing dient. We spreken ‘global English’ om elkaar te begrijpen. Sommige vriendinnen van me doen na twintig jaar in Nederland niks anders. Maar waarom zou je zo in je bubbel blijven hangen? Waarom een taal spreken die enkel als middel dient, maar geen gevoel belichaamt? Dat gevoel krijg je enkel als je hier op straat loopt en tijdens een conflict met een Nederlander van je af kunt bijten omdat hij hondenpoep op straat laat liggen. Zo’n gesprek moet op het Nederlands geënt zijn.

Waardoor het meer dan communicatie wordt. En je dus weer bij je identiteit aansluit.

Precies. Uiteraard zijn er omstandigheden waarin taal bovenal een instrument is. Dat zie je in Zuid-Afrika, waar bevolkingsgroepen vechten voor hun rechten en hun taal. Als ze er niet in slagen om vrede met elkaar te sluiten of een beslissing te nemen, is taal het instrument waarmee ze de zaken letterlijk op een rij zetten. Maar bovenal draait taal om emotie en binding en daar staat geen leeftijd op. Kijk naar Joseph Conrad. Engels was zijn derde taal, maar hij heeft er een hoop mooie dingen in geschreven. En Nabokov heeft pas op 56 ‘Lolita’ geschreven, in het Engels.

Jij groeide als jong meisje op in Roemenië, onder het totalitaire bewind van Ceaușescu en de Securitate. Over die tijd zeg jij: ‘De taal behoorde aan de partij’. Zij beslisten wat wel en niet gezegd mocht worden.

Ik barst nog weleens in tranen uit als ik aan die periode terugdenk. Mijn moedertaal was letterlijk besmet en misbruikt door de politiek. Daardoor ben ik voor altijd iets kwijtgeraakt. Toen ik jong was, hadden we geen notie van de wereld. Ik wist niet eens dat Nederland bestond, wij kenden geen buitenland, hoogstens Frankrijk of Duitsland. Het Roemeens was bezoedeld door wat er in het land gebeurde en het draagt die geschiedenis nog steeds met zich mee. Op een bepaald moment werd de taal zelfs gevaarlijk. Je kon je niet uiten, alles werd dubbelzinnig geïnterpreteerd. Met een banale zin kon je een dieperliggende betekenis verwoorden in je voordeel, maar je belandde je er net zo goed door in de gevangenis.

Metataal is pervers

Het opvallende is dat mensen daardoor codetaal gingen hanteren. Dubbele betekenissen, waardoor ze op een creatieve manier de redding zochten en vonden in de taal.

En toch beschouw ik dat niet als creatief. Het is eerder pervers. Net zoals je in plaats van gewone seks louter nog orale seks zou hebben. Alle normaliteit was bij ons van de kaart geveegd, we communiceerden met metataal. Mijn vader kende die metataal niet. Hij was heel erg direct, schold op wat hem niet beviel en ik was vaak bang dat hij daarvoor gearresteerd zou worden. Dus die dynamiek was niet positief, want taal werd iets hards. IJzer. Toch heb ik respect voor de mensen die de waarde van dat ijzer, ondanks alles, hebben weten te bewaren. Kijk, ik heb de revolutie in Roemenië als jonge vrouw meegemaakt, er waren nog ontsnappingskansen. Als ik er was gebleven en surrealistische poëzie had moeten schrijven omdat de waarheid niet gezegd mocht worden, dan was het een ander verhaal geweest. Net daarom ben ik geen groot liefhebber van de Roemeense dichters uit de jaren tachtig. Ze bedienen zich van die metataal, met poëzie die iets verbergt. Herta Müller deed het niet. Ze trok naar de straten en pleinen en sprak de waarheid uit. Het heeft haar de Nobelprijs voor literatuur opgeleverd.

Beschouw je wat jij nu mag en kan doen in Nederland met taal, voor een stuk als inhaalbeweging?

Dat net niet. Ten tijde van de communisten in Roemenië was ik nog te jong om de waarheid te spreken. Daarna heb ik het altijd gedaan, ook als schrijver en als radiomaker in mijn thuisland. Mijn ontslag is om die reden meerdere keren gevraagd, ze dreigden er zelfs mee om mijn salaris te halveren. Maar dat was na de revolutie, het draaide voor mij niet om compensatie. In Nederland heb ik wel geleerd om kennis en taal uit te lepelen. Ik vecht nu dus nog harder dan ik vroeger deed.

Je kaartte daarnet Zuid-Afrika aan, waar mensen via taal hun rechten opeisen. Het continent komt in ‘Liefdesverklaring voor de Nederlandse taal’ uitgebreid aan bod. Vanwaar de fascinatie?

Het is verbonden met de taal die ik hier heb meegekregen. Ik ben sinds mijn komst naar Nederland vaak met de politieke situatie van Zuid-Afrika bezig geweest. Op heel wat vlakken lijkt ze op die in Roemenië, destijds. Als je het Apartheidsmuseum in Johannesburg bezoekt, waan je je in een museum over het communisme in Boekarest. Bovendien heb ik door mijn eigen achtergrond een zwak voor de underdog, diegene die het niet makkelijk heeft in het leven. Zulke mensen vind je in Zuid-Afrika overal. Wist je trouwens dat verkeersborden langs de snelweg er dubbele aanduidingen hebben? De afstand tussen Johannesburg en Bloemfontein bedraagt zoveel uur voor wie met de wagen rijdt, en een veelvoud in dagen voor wie het te voet moet doen. Toen ik dat voor het eerst zag, schrok ik me rot. Rang en stand staan letterlijk vertaald op een wegwijzer. Omdat ik zelf uit de armoede kom, heb ik mijn hart verloren aan dat land en de mensen.

Mira Feticu (foto: © Loes Sleedoorn)
foto: © Loes Sleedoorn

Verkeerde kruiden

Eén woordje uit het Afrikaans koester jij: ‘taalgogga’, of taalfouten. Je maakt ze na 15 jaar in Nederland nog geregeld, struikelt soms over de uitspraak of volgorde van woorden. Vind je dat kunnen?

Charmant vind ik het niet, maar ik heb wel geleerd om die fouten te accepteren. Ik ben op dat vlak vrij hard voor mezelf. Ik gebruik soms verkeerde voorzetsels, of vergeet nu en dan woorden. Ik zal het Nederlands nooit perfect beheersen. Vergelijk het met koken: het is niet dat je verkeerde kruiden gebruikt in een maaltijd, je gebruikt er gewoon minder. Het eten wordt wat minder smaakvol.

Nederlands leren blijft daardoor een opgave. Je zegt dat je door de taal ook iets hebt verloochend, je achtergrond hebt verraden. Waarom?

Laat het mij illustreren met een voorbeeld. Er zijn mensen die makkelijk van de ene persoon scheiden, met de volgende trouwen en gelukkiger zijn. Maar ik ben het type vrouw dat na een scheiding, in de tweede man de herkenningspunten van de eerste zoekt. Ik zal altijd blijven vergelijken. Je moedertaal, die eerste man, is immers het mooiste cadeau dat je kunt krijgen. Ik heb het opzijgeschoven, niet uit ondankbaarheid, maar door het lot. Dat lot heb ik dan weer omarmd door een andere taal te leren, maar ik blijf een verrader omdat ik de zoetigheid en de liefde van mijn moedertaal, mijn eerste man, heb losgelaten.

Kader Abdolah, ook een geëmigreerd schrijver, kijkt er anders tegenaan. Hij onderstreept dat hij van zijn moedertaal houdt, maar het meest trots is op het Nederlands, omdat hij dat helemaal zelf heeft geleerd.

Het verschil zit hem natuurlijk in de politieke situatie. Kader Abdolah kon niet meer in zijn moedertaal schrijven, dat zou niemand gepubliceerd hebben. Die weg was afgesloten. Ik kan als ik dat wil nog altijd in het Roemeens schrijven, maar ik doe het niet meer omdat ik er al te veel van ben kwijtgeraakt. Er zijn dingen verdwenen. Vergelijk het met een kind dat je tien jaar lang bij de vader achterlaat en daarna terugziet: dat is niet meer hetzelfde. Mijn Nederlands is vandaag mijn eerste taal, het is de norm geworden. Ik heb met het Roemeens niet meer zo’n intieme band.

De taal en de liefde

Willen we het nog even over de liefde hebben, de diepste emotie van alle mensen? Het thema speelt ook in je andere romans, zoals ‘De ziekte van Kortjakje’. Kan liefde ten volle in taal vertaald worden? Zijn daar genoeg woorden voor?

Voor een schrijver moet het in elk geval met taal gebeuren, maar als mens houd ik ook van de intimiteit van gebaren in de liefde. Die zeggen soms veel meer dan een woord. Liefde is eigenlijk veel groter dan alle talen bij elkaar. Dat geldt trouwens ook voor literatuur.

Die literatuur is nog een van je passies. Dante, Boccaccio, Yourcenar, Homerus: ze passeren allemaal de revue in ‘Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal’.

Zonder hen was ik nooit geworden wie ik ben. Literatuur heeft me die kans geboden en als ik schrijf, heb ik een identiteit. Ik hoef daarmee geen statement te maken, ik wil gewoon bestaan en doorgaan. Ik ben dankbaar voor het leven. Ik heb de ellende van dat leven leren accepteren door literatuur, geschreven woorden duwen mij naar voren. En net omdat literatuur boven alle talen staat, helpt ze mij ook accepteren dat mijn Nederlands niet perfect is.

Je woont intussen ruim 15 jaar in Nederland. Wat beschouw jij na al die jaren als het mooiste woord uit onze taal?

Zeer. Het is een heel klein woord, op zichzelf zegt het niets, maar het zegt wel iets over hoe ik in het leven sta. Zeer. Heel erg. Ik leef vol overgave, ik doe alles voor tweehonderd procent, met passie. Soms is de passie goed gedoseerd, soms is ze te groot, soms ben ik ‘te’ voor iedereen. ‘Zeer’ is dus mijn geliefkoosde woord. Mijn man lachte daar vroeger al eens om, hij noemde het vooral een begrip uit boeken. Maar ik heb dat altijd tegengesproken.

Wij gebruiken ‘zeer’ in Vlaanderen ook heel vaak in de betekenis van ‘pijn’. Hartzeer, weet je wel.

Uiteraard! Maar voor mij heeft het niet meteen die betekenis. Toch voeg ik er graag aan toe dat het Nederlands voor mij intussen een mooie en erg helende taal is geworden. Ze laat me toe om over die pijn, dat ‘zeer’, te schrijven. Dat betekent oprecht alles voor me.

cover

‘Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal’ verschijnt op 11 februari bij Uitgeverij De Geus.
(ISBN 9789044543681 - 224 pagina's)

(foto bovenaan: © Loes Sleedoorn)