Schrijftaal en spreektaal

Miet Ooms

Hebben de labels ‘schrijftaal’ en ‘spreektaal’ nog wel zin in een woordenboek?

Rare vraag, zeg je? Ja, ik weet het. Het is dan ook geen mijmering tijdens de afwas of de strijk. Ik werk aan een woordenboekproject en dan moet je op een gegeven moment nadenken over definities. En over labels.

Woordenboeklabels zijn op zich heel handig voor redacteurs. Daarmee kunnen ze op een consequente manier heldere informatie geven over het gebruik van het woord. Maar voor sommige woordenboekgebruikers impliceren ze een negatief oordeel: alleen al omdat een woord een label krijgt, lijkt dat te impliceren dat het ‘dus’ geen standaardtaal is. Dat het ‘fout’ is, geen volwaardig Nederlands.

Dat geldt helemaal voor het label ‘spreektaal’. In principe zijn woorden met het label ‘spreektaal’ vooral gebruikelijk in gesproken taal en die met ‘schrijftaal’ in geschreven taal. Perfect logisch, zou je zeggen. Maar wat betekent dat dan? Waarom zou je sommige woorden niet zeggen en andere niet schrijven?

Het grote verschil tussen schrijftaal en spreektaal zit hem niet zozeer in het medium, maar in de status. Neem nu schrijftaal: dat is niet alle mogelijke ‘geschreven taal’. Wat je op kattenbelletjes, winkellijstjes of liefdesbrieven zet bijvoorbeeld telt niet mee. Schrijftaal gaat over zakelijke communicatie of over gepubliceerde teksten: kranten- en tijdschriftartikelen, boeken, teksten voor het tv- en radiojournaal. Dus over taal die geschreven en nagelezen is door mensen die hiervoor zijn opgeleid, die de filter of filters van redacties hebben overleefd en die met goedkeuring door mensen die het kunnen weten beschikbaar zijn gemaakt voor het grote publiek. Of die moeten dienen om belangrijke overeenkomsten te onderhandelen en vast te leggen. In dat soort teksten schrijf je natuurlijk niet om het even wat. Je taalgebruik moet immers je degelijkheid, je kennis en je betrouwbaarheid weerspiegelen. En daar staat het label ‘schrijftaal’ voor: formeel, zakelijk, professioneel, degelijk, genormeerd, gecontroleerd, correct, zoals het hoort.

Spreektaal daarentegen is wat spontaan op elk moment uit ieders mond kan rollen. Correctie: bij gelijk welke gelegenheid, behalve die waarvoor verzorgde, degelijke, hoogstaande, professionele taal nodig is. Niveau ‘schrijftaal’, zeg maar. Met andere woorden, het label ‘spreektaal’ is een koepelterm voor taal die niet eerst gefilterd en gecontroleerd is tegen de normen en goedgekeurd voor de communicatie van een Belangrijke Boodschap. Het label ‘spreektaal’ in het woordenboek hield dan ook lange tijd automatisch een afkeuring in: ‘niet goed genoeg voor teksten die gepubliceerd worden of die dienen voor belangrijke communicatie’, of kortweg ‘geen standaardtaal’. Dat systeem is moeilijk houdbaar in een tijd waarin woordenboeken claimen dat ze beschrijvend zijn en niet willen voorschrijven wat wel en niet correct is.

Maar dat is niet de reden waarom ik me afvraag of die labels nog nuttig zijn. Volgens mij is het strikte onderscheid tussen de registers ‘schrijftaal’ en ‘spreektaal’ zelf ook niet meer relevant. ‘Schrijftaal’ was heel lang een apart register, gescheiden van spreektaal, omdat geschreven teksten doorgaans pas gepubliceerd werden als ze voldeden aan de norm voor schrijftaal. Dus als mensen die daarvoor opgeleid waren ze produceerden en mensen die aan de knoppen zaten (redacties, uitgevers) ze op de wereld loslieten. Dat was een stevige filter. Eentje die we vandaag met het grootste gemak kunnen omzeilen.

Sinds het internet kan iedereen immers zijn bedenkingen, ideeën, verhalen, visies meteen met de wereld delen. Zonder goedkeuring van een uitgever, zonder correctierondes van een redactie. Gewoon tikken, klikken, en klaar. Iedereen schrijver. En het werkt. Veel bekende auteurs, columnisten, journalisten van tegenwoordig zijn begonnen als blogger. Ze hadden dus al een eigen stijl ontwikkeld en een publiek opgebouwd voor ze in het ‘officiële’ schrijfcircuit terechtkwamen. Die bloggers schreven en schrijven vaak veel spreektaliger dan wat als norm gold voor gepubliceerde artikelen. Aangezien hun schrijfstijl aanslaat, behouden ze die ook als ze voor klassieke media schrijven, zoals kranten en tijdschriften. En op die manier sijpelen woordjes met het label ‘spreektaal’ toch door in de hedendaagse krantentaal.

Hetzelfde geldt overigens voor de verzorgde spreektaal die je als tv- en radiopresentator moet kunnen produceren voor je microfoonwaardig bent. Elke tiener kan immers een YouTubekanaal opstarten of Instagramfilmpjes maken, die rechtstreeks op de wereld loslaten en een publiek opbouwen waar sommige tv-stations jaloers op zijn. Ook zonder de jaren uitspraaktraining die professionele presentatoren wel hebben gehad.

Wat ik hiermee eigenlijk wil zeggen: vroeger waren schrijftaal en spreektaal inderdaad twee duidelijk van elkaar gescheiden media. Schrijftaal viel toen nog samen met ‘gecontroleerde, genormeerde, correcte, gefilterde taal’ en spreektaal met ‘spontane, informele, minder correcte, gekleurde taal’. Maar tegenwoordig loopt alles in elkaar over: er is schrijftaal, spreektaal, geschreven spreektaal (chats, appjes, sms’jes, tweets, …), gesproken schrijftaal (journaaltaal), schrijftaal doorspekt met spreektaal, spreektaal doorspekt met schrijftaal enz. De twee gescheiden media zijn geëvolueerd naar een spectrum waarvan ‘schrijftaal’ en ‘spreektaal’ de uitersten zijn. Door die evolutie is ‘spreektaal’ zijn connotatie ‘dus niet goed’ ook stilaan kwijtgespeeld.

Daarom overweeg ik om voor dit woordenboekproject die labels niet meer te gebruiken. Ze zijn alleen maar verwarrend. Bovendien hebben we al andere labels die wel zeggen waarmee we te maken hebben, bijvoorbeeld informeel, formeel, ambtenarentaal, jongerentaal, regionaal, …

Laten we dus in het vervolg gewoon een kat een kat noemen. Zelfs dan is het toekennen van labels gene kattenpis.