Mega hier, giga daar

Benedikte Van Eeghem

Voor zover ons gezin de voorbije maand geen koortsaanvallen kreeg door corona, heeft het dataverbruik mij wel de stuipen op het lijf gejaagd. Na meer dan tien jaar lidmaatschap van de provider met het gele knipoogje, gaf de ‘telemeter’ eind januari aan dat we alle gigabytes van ons maandabonnement – 150 in totaal – opgesoupeerd hadden. Merde!

Nu zie ik die-hardsurfers al in hun vuistje lachen: wie overleeft er anno 2022 nog op 125 gigabyte dataverkeer per maand? Awel: wij. Om de zeer eenvoudige reden dat ik in normale omstandigheden overdag op kantoor vertoef en de nazaten op school. Enkel bij het ochtendgloren zit het jonge geweld wat te swipen. Als de avond valt, doen ze van Netflix en permitteer ik me online radio. Of ik stream een exquise Scandinavische reeks en daarvoor volstaat ons data-abonnement ruimschoots.

Maar ‘normale’ omstandigheden zijn in deze tijden natuurlijk zeldzaam. We torsen voltijds telewerk hier, quarantaines daar, besmettingen overal. Labeuren, lanterfanten en les volgen gebeurt onder hetzelfde dak en we vreten bytes dat het niet schoon meer is.

Bijbetalen voor extra dataverkeer is dus het beste overlevingsmechanisme. Tegenover dat prijskaartje staat het ongebreidelde comfort waarbij een moeder vlot online meetings managet, de dochter haar stelling van Pythagoras op Google Classroom uitspit en de herstellende zoon ‘Men in Black’ savoureert vanuit de sofa. Alles on demand, samen thuis, zonder onderbreking of ruis.

Een paar decennia geleden was zoiets nog compleet ondenkbaar. Ter illustratie: ik schreef in 1999 een thesis die op een diskette paste. De standaard opslagcapaciteit van zo’n onding bedroeg 1,4 megabyte. Meer volume was een zaak van puisterige nerds met vettig haar en we jenden mekaar zelfs toen e-mail aan terrein won: “Pas op, ik stuur u een filmpje van een paar megabyte en laat uw inbox crashen!”

In dezelfde geest viel er thuis al eens een vermaning voor ‘te lang surfen’. Internet was exotisch en lang niet zo snel als nu, het begrip ‘loading’ hoorde erbij. Je moest het wonder vooral met mate consumeren. Dataverkeer stroomde langs een telefoonlijn binnen, per aantikkende en gefactureerde minuut, via een ADSL-modem. De unieke fluittoon van dat toestel staat voor eeuwig in het geheugen van mijn generatie gegrift.

Vandaag heeft die gemoedelijke eenvoud plaats geruimd voor blitse apps, mobiele shizzle en pijlsnel ongelimiteerd surfen. Mega hier, giga daar, terra overal. Ik bekijk eerstdaags hoe we mee op de kar kunnen springen en het meest voordelige onbegrensde pakket scoren. Adieu luttele 125 gigabyte, welkom vaart der digitale volkeren. En als het me toch even te snel gaat, grijp ik terug naar de digitale herinnering van weleer. Net zoals wijlen Bernard Dewulf het – kijkend naar zijn dochtertje – zo virtuoos neerpende:

“Soms, zo toekijkend uit het zwarte gat, denk ik: was ik maar draadloos, ADSL, met ze verbonden.”*

(* uit: ‘Kleine Dagen’)