Het jaar in woorden

Miet Ooms

December is behalve de wintermaand ook de woordenmaand. Dan duiken immers de jaarlijkse Woord van het Jaar-verkiezingen weer op, onder meer bij Van Dale. Het zijn dus wedstrijdjes, erg populair zelfs, maar zonder menselijke winnaar. Bijzonder, vooral de heuse campagnes die aan de verkiezing vooraf kunnen gaan én de discussies achteraf, als de winnaar bekend is. Zo is in 2019 ‘winkelhieren’ Woord van het jaar geworden in Vlaanderen, na een campagne van de ondernemersvereniging Unizo, die het woord gelanceerd had.

Waar komen die woorden nu vandaan? Uit verschillende bronnen, meestal media. Vaak zijn ze verzonnen, of gecreëerd, door journalisten die een nieuw verschijnsel een naam moesten geven, of door politici die hiermee hun visie, ideeën of beleid kernachtig communiceren. Maar het kunnen ook creatieve vindsels van een bekende Vlaming of Nederlander zijn, populaire hashtags of woorden uit succesvolle campagnes, zoals ‘winkelhieren’. Dat laatste woord is in 2020 door de omstandigheden zelfs vrij onverwacht doorgebroken. In ieder geval: de genomineerde woorden zeggen iets over de actualiteit van het afgelopen jaar. Met andere woorden: de verkiezing is het jaaroverzicht van de woordenboekmaker.

Van Dale is niet de enige die met een Woord-van-het-Jaarverkiezing komt. Dat doet Onze Taal ook. Maar Van Dale is wel de enige die een aparte Nederlandse en een aparte Vlaamse verkiezing organiseert. Waarom eigenlijk? Simpel: Van Dale is een woordenboek voor het hele taalgebied en de redactie beseft heel goed dat hoewel we de taal delen, we in verschillende landen leven. En dat betekent: andere mediafiguren, andere journalisten, andere politici, andere campagnes, andere nationale actualiteit enz. Daardoor zit er wel overlap in onze realiteit – we wonen wel nog steeds op dezelfde wereld – maar die is niet helemaal hetzelfde. Dat zien we ook aan de resultaten van de verkiezing van de afgelopen jaren. In 2018 stond alleen ‘mangomoment’ in de beide top 3’s (2 in België, 3 in Nederland), in 2019 ‘klimaatspijbelaar’ (2 in België en Nederland). De Nederlandse winnaar van 2019, ‘boomer’, stond in België op de vierde plaats. En de Belgische was dus een eigen Belgisch woord: ‘winkelhieren’.

Terug naar dit jaar. Om het met een cliché te zeggen: het was een bijzonder jaar. De actualiteit werd in heel de wereld door één thema overheerst: het virus. Je zou dus verwachten dat de woordenlijstjes dit jaar grotendeels overeen zouden komen. Maar dat is niet het geval: slechts 9 van de 20 genomineerde woorden staan in de twee lijstjes. Dat komt deels omdat niet alle woorden te maken hebben met de pandemie. Voor België zijn dat bijvoorbeeld ‘dutjestaks’ (een bedrag dat wordt gevraagd als een jonge kleuter een dutje doet op school), ‘vivaldicoalitie’ (de naam voor de coalitie die de huidige federale regering vormt), ‘vriendenaandeel’ (een investering die particulieren kunnen doen in een kmo). Voor Nederland gaat het onder meer over ‘infodemie’ (de enorme hoeveelheid (valse) informatie die via sociale media wordt verspreid), ‘klimaatwanhoper’ (iemand die wel gelooft in de klimaatverandering, maar denkt dat alle inspanningen zinloos zijn), ‘racismeknielen’ (knielen als symbool van verzet tegen racisme).

Maar toch. De meerderheid van de woorden hebben wel degelijk te maken met de pandemie, en toch zijn er flink wat verschillen. Dat heeft dan weer meestal te maken met de verschillende aanpak in België en Nederland. ‘Aanloopleren’ bijvoorbeeld, online les krijgen, was een hot item in de media toen de Belgische scholen in maart en april gesloten waren. In Nederland zijn de scholen in die periode later gesloten en eerder weer opengegaan. In Nederland introduceerde premier Rutte dan weer op een gegeven moment de ‘blokjesverjaardag’, een verjaardag die je viert door de gasten in tijdsblokken te laten langskomen, om zo grote groepen te vermijden. ‘Knuffelcontact’ is dan weer een vondst van de Belgische minister van Volksgezondheid Vandenbroucke, die zelfs internationale weerklank kreeg – maar niet altijd even goed begrepen werd.

Woorden van het jaar zeggen dus niet alleen iets over de realiteit zelf, maar ook over de manier waarop we met die realiteit omgaan. Ze zeggen wat we belangrijk vinden om over te praten, waar onze focus ligt, voor welk verschijnsel we een naam nodig hebben. In België zien we meer woorden die te maken hebben met maatregelen en organisatie: ‘aanloopleren’, ‘contactspeurder’, ‘druktebarometer’, ‘sportbubbel’. In Nederland gaat het veel meer over de manier waarop mensen de situatie ervaren en wat ze ervan vinden: ‘eenzaamheidsvirus’, ‘fabeltjesfuik’, ‘jojolockdown’, ‘viruswappie’. De woorden die we gebruiken en die we belangrijk vinden, zeggen iets over onszelf.

Maar zoals gezegd delen we ook 9 woorden. Die wil ik je niet onthouden: ‘anderhalvemetersamenleving’, ‘coronamoe’, ‘covid’, ‘covidioot’, ‘hoestschaamte’, ‘kuchscherm’, ‘lockdownfeestje’, ‘raambezoek’ en ‘zelfquarantaine’. We delen dus wel degelijk nog het een en ander.

Op 15 december zijn de winnaars bekendgemaakt. En opnieuw hebben we twee verschillende winnaars. In Nederland is het ‘anderhalvemetersamenleving’ geworden, een woord dat we in België ook kennen, maar dat toch niet zo sterk aanwezig is in de gesprekken en de actualiteit. Nederlandstalig België heeft zelf gekozen voor zijn internationale succeswoord: ‘knuffelcontact’.

En dat laatste wens ik iedereen van harte toe: een heel warm ‘knuffelcontact’ en hoopvolle feestdagen. Ondanks alles.