Het boek ‘wat’ ik las? Laat maar komen, die vereenvoudiging!

Ann De Craemer

Commotie! Ophef! Kwaadheid! Verontwaardiging! Trending op sociale media! Ik heb het niet over de zoveelste coronamaatregel, maar over taal. U leest het goed: een aantal ‘veranderingen’ in onze Nederlandse taal zorgde vorige week voor flink wat heisa. Aanleiding was de nieuwe online versie van de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS), die dinsdag werd gelanceerd.

Commotie in de media, want de ANS, zo werd alom gemeld, maakt komaf met drie grammaticale regels. Zo klonk het in De Morgen en in HLN: “Taalpuristen zullen het niet graag horen, maar de grammaticaregels zijn na 24 jaar aangepast. In de nieuwe versie van de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) wordt komaf gemaakt met enkele oude grammaticaregels.”

Het gaat over deze regels: ‘groter als’, zo meldden die twee kranten, is voortaan juist; ‘een hele grote neus’ in plaats van ‘een heel grote neus’ is dat ook, en de regel voor de dubbele negatie wordt losgelaten – je mag, zo stelden beide artikels, voortaan in spreektaal zowel ‘Hij heeft nooit geld’ als ‘Hij heeft nooit geen geld’ gebruiken.

‘Fake news’, zo stelde taalraadsman Ruud Hendrickx op deze site, en hij had een punt, want in beide – en veel andere roeptoeterende artikels over de ‘nieuwe regels’ - wordt niet gemeld wat de ANS werkelijk is: een descriptieve of beschrijvende spraakkunst en geen prescriptieve of voorschrijvende grammatica. Dat laatste betekent dat het om regels gaat die als het ware in steen gebeiteld zijn en die je écht moet volgen als je een grammaticaal correcte zin wilt schrijven. Dat is niet wat de ANS vooropstelt.

De ANS heeft vorige week helemaal geen komaf gemaakt met enkele ‘oude’ grammaticaregels. De ANS is namelijk geen handboek om Nederlands te leren, maar een wetenschappelijke beschrijving van hoe Nederlandstaligen in de werkelijkheid hun taal gebruiken, en dus ook van hoe ze de taal anders zijn gaan gebruiken. De ANS is geen wetboek dat bepaalt hoe taalgebruikers het Nederlands móéten gebruiken, de ANS beschrijft hóé ze het gebruiken. De ANS heeft het vorige week gehad over drie varianten die intussen naast elkaar bestaan en die je beide mag gebruiken, maar voegde daaraan toe dat de nieuwe varianten wel informeel taalgebruik blijven.

Taalverloedering? Nee, taalverandering, en maar goed ook

Ook ik stoorde me aan de vereenvoudigde en ‘click-bait’-berichtgeving over de ANS. Maar ik kan de commotie best begrijpen. Als mensen het woord ‘grammatica’ horen en ze zijn geen kenners van de taal, dan zal het hen worst wezen of die grammatica descriptief of prescriptief is. Bij grammatica denken ze aan regels en als ze in combinatie daarmee het woord ‘verandering’ horen, gaan velen op hun achterste poten staan.

Dat verbaast me weliswaar keer op keer. Grammaticale regels zijn opgesteld door mensen die menen dat zij en alleen zij weten wat ‘goed’ is voor de taal. In de taal zelf, de échte, levendige en veranderde spreektaal, geldt alleen deze regel: dat taal verandert. Je mag nog zoveel grammaticale regels opstellen als je wilt: uiteindelijk lopen die altijd achterop en zal je die na verloop van tijd moeten aanpassen, omdat het de (spreek)taalgebruiker is die bepaalt hoe de taal evolueert.

Ik wil het even niet hebben over de drie voorbeelden die vorige week alle media haalden, maar over een aantal andere voorbeelden. Voor taalverandering-in-actie moeten we, zoals vaak, naar onze noorderburen kijken. Daar is het verschil tussen ‘die’ en ‘dat’ bij zelfstandige naamwoorden in snel tempo aan het verdwijnen. Zo hoor je heel vaak ‘het boek wat ik las’ of ‘de maaltijd wat ik gegeten heb’. Zelfs Jeroen Pauw, die als presentator de standaardtaal hanteert, hoor je die ‘wat-constructie’ regelmatig gebruiken. Sommige mensen krijgen daar een hartverzakking van. Taalverloedering! De doodsteek van onze taal!

Ik moet om zulke reacties alleen maar hardop lachen. Een van de oorzaken van het verdwijnen van ‘die’ en ‘dat’ is de migratie: voor allochtone sprekers is het verschil tussen ‘die’ en ‘dat’ moeilijk en dus gebruiken ze ‘wat’. Die vereenvoudiging sijpelt door naar andere taalgebruikers. Resultaat is een vereenvoudigde regel die heel wat taalgebruikers minder zweet, bloed en tranen oplevert.

Ik heb zelf geen problemen met het verschil tussen ‘die’ en ‘dat’ maar kan die vereenvoudigde regel alleen maar aanmoedigen. Minder gezweet op de schoolbanken en daardoor meer tijd om bijvoorbeeld creatief met taal te leren omgaan, en minder schrijfangst bij mensen die de regel gewoon nooit onder de knie krijgen – omdat hij ook gewoon moeilijk is.

Vier jaar lang heb ik Nederlandse taalkunde gekregen van de legendarische professor Johan Taeldeman – what’s in a name – en wat ik onder meer van hem onthouden heb, is deze gouden regel: taal streeft altijd naar vereenvoudiging. Dat zien we in ons eigen Nederlands, waar, op een paar versteende uitdrukkingen na, de naamvallen verdwenen zijn. Fantastisch, toch? Of zijn er mensen die terug willen naar dat ingewikkelde systeem? Het Duits heeft wel nog naamvallen (en is daarom zo moeilijk aan te leren) maar in het Engels is de taalvereenvoudiging nog verder doorgezet.

Waarom is Engels leren zo makkelijk?

Lees er de tegendraadse taalkundige John McWhorter op na, die in ‘What language is’ uitlegt waarom het Engels zo’n makkelijk aan te leren taal is. In een ver verleden hebben zulke grote aantallen volwassenen Oudengels geleerd, dat ze die taal als het ware hebben overgenomen. Al lerend – al pratend, dus – hebben ze allerlei ingewikkeldheden overboord gegooid. Vooral de naamvallen, de woordgeslachten en allerlei werkwoordsvervoegingen waren het slachtoffer. De afgeslankte versie werd dan de nieuwe norm. Vandaar dat hedendaags Engels zo makkelijk te leren is. Kunnen we daar niet gewoon blij om zijn en taalverandering dus toejuichen?

Belachelijke taalregels

Ik ben eindredacteur in bijberoep en pas de regels dan zeer nauwgezet toe, zowel op het vlak van grammatica als spelling, maar regelmatig erger ik me dood aan de regels die ik hoor te gebruiken. Neem bijvoorbeeld de verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord, waarvan u de regel hier kunt lezen. Ik vind die regel totaal belachelijk: het zal me echt worst wezen of iemand schrijft ‘het wit paard’ of ‘het witte’ paard. Wie heeft eigenlijk zo’n regel bedacht? Ik vermoed mensen in ivoren torens die taalverandering inderdaad synoniem stellen met taalverloedering.

Een bekende uitspraak is dat de taal gansch het volk is, maar dat is een politieke uitspraak (geweest). Ik koppel ze los van die context en zeg met overtuiging: ‘De taal is gans het volk.’ Het is de taalgebruiker die bepaalt hoe de regels van de taal zullen evolueren. Als een bepaalde nieuwe grammaticale regel dominant wordt, zoals ‘het boek wat’, dan zullen de immer achteroplopende grammaticaboeken zich daaraan moeten aanpassen. Net goed. Taal leeft. Taal verandert. Het Nederlands is geen Latijn, en gelukkig maar.