Eigenlijk feitelijk

Ann De Craemer

Is het u ook al opgevallen dat ‘eigenlijk’ aan een opmars bezig is? Zelf hoor ik eigenlijk op radio en televisie steeds vaker eigenlijk mensen die het tijdens hun uitleg eigenlijk te pas en te onpas gebruiken. ‘Eigenlijk’ is zo sluipenderwijs het nieuwe ‘ik bedoel’ geworden, dat zelf het ouderwetse ‘euh’ moest aflossen maar nu, door een nog sterker onkruid, verdrongen raakt.

Dat alomtegenwoordige ‘eigenlijken’ is niet alleen irritant omdat het, als een waterdruppel uit een lekkende kraan, steeds weer op dezelfde auditieve zenuw petst, maar vooral omdat het de argumentatie vaak grondig verstoort. Want ook al is ‘eigenlijk’ een bijwoord, toch staat het er in een zin niet zomaar bij. Het dient een doel, en wel om datgene wat eerder werd gezegd scherper te duiden. Met ‘eigenlijk’ peuter je het bloemetjesbehang van een redenering los om het vochtige pleisterwerk erachter bloot te leggen – eigenlijk is Joe Biden een oude, blanke man …

Ik zie twee redenen voor al dat ge-‘eigenlijk’. Reden één: de toenemende interviewsnelheid die ervoor zorgt dat zelfs leken binnen de seconde een gevat antwoord moeten kunnen formuleren. Terwijl de interviewer ongeduldig wacht op een statement, raakt de geïnterviewde hopeloos verstrikt in zijn uitleg. ‘Eigenlijk’ dient daarbij als reddingsboei om de gedachten net die fractie langer te ordenen of de naar buiten tuimelende woorden enigszins te nuanceren.

Interviewer: ‘Zo mevrouw, comazuipen op een scoutskamp?’

Welpenleidster: ‘Maar eigenlijk is er een misverstand omdat er eigenlijk iemand verjaarde die we eigenlijk wilden verrassen door appelsap in een whiskyfles te gieten eigenlijk, en dan via Instagram was dat dan eigenlijk bij de ouders terechtgekomen, en eigenlijk …’

Hoe irritant ook, hier kan men de spreker alleen maar pardonneren, want dit soort ‘eigenlijken’ is volledig toe te schrijven aan de ophitsende vraagsteller. ‘Eigenlijk’ is het schild dat de spreker in de lucht zwaait om iets van een afweer te bewerkstelligen. Zonder resultaat. Het klinkt stuntelig en ontoereikend maar net daardoor zeer aandoenlijk.

Anders is het met geoefende sprekers die ons suf lullen met ‘eigenlijken’ die kant noch wal raken. In plaats van de zweepslag van de interviewer is het hier slinksheid gekoppeld aan onkunde die oorzaak is. Slinksheid omdat de geïnterviewde schijnbaar een zeer gelaagd verhaal weet te vertellen; onkunde omdat elke nieuwe ‘eigenlijk’ de vorige ‘eigenlijk’ in zijn blootje zet – wat is uiteindelijk het standpunt nog?

Voor al wie twijfelt, kan deze simpele regel gelden: meer dan één keer ‘eigenlijk’ in een zin gebruiken betekent zoveel als opzettelijk lucht in een vertelling pompen. Kadaverlucht. Elke bijkomende ‘eigenlijk’ is een schijnbeweging waarbij de spreker niet de toehoorder, maar zichzelf in een knoop dribbelt. Wie dus alsnog de noodzaak voelt om te gaan ‘eigenlijken’, zou op zijn minst het synoniemenwoordenboek moeten consulteren.

Zeg bijvoorbeeld niet: Eigenlijk is de conclusie dat er eigenlijk geen pistes meer zijn die eigenlijk te overwegen vallen.

Maar zeg: In wezen is de conclusie dat er feitelijk geen pistes meer zijn die au fond te overwegen vallen.

Of nog beter: Welbeschouwd is de conclusie dat er in se geen pistes meer zijn die de facto te overwegen vallen.

Het mag duidelijk zijn dat een hoogdravend maar inhoudsloos exposé zo binnen ieders handbereik ligt. Al is het meest wenselijke natuurlijk om die ‘eigenlijk’-reflex zoveel mogelijk te beteugelen. Stoppen dus met dat gedribbel van de syntax, ophouden met die lobjes over de eigen gedachtegang. Kortom: een punt zetten achter dat oneigenlijke ‘eigenlijk’-gebruik. Vanaf nu nemen we allemaal onze bijwoorden terug in plaats van ze nodeloos toe te voegen. Want euh, ik bedoel, is taal zo al niet verwarrend genoeg?