De dapperste aller Halliërs

Benedikte Van Eeghem

Dat de Belgen van alle Galliërs de dapperste zijn: Julius Caesar wist het zo’n tweeduizend jaar geleden al. Hij had echter nooit kunnen vermoeden dat een harde kern van die Galliërs twee millennia later zou zegevieren als dialectexpert. De West-Vlamingen hebben de titel intussen vrolijk binnengerijfd.

Voor u mij verdenkt van schaamteloze sympathie voor gouwgenoten: ik heb de titel niet zelf bedacht. Het is de Krant van West-Vlaanderen die op 1 oktober uitpakte met: ‘Van alle dialecten is het West-Vlaams het sterkste’. Aansluitend volgde een exposé over de allereerste Atlas van het Dialect, waar een schare onderzoekers van Universiteit Gent jaren bloed, zweet en tranen heeft over geplengd.

Die atlas toont aan dat het West-Vlaams het best standhoudt als streektaal in Vlaanderen. We verstaan elkaar vlot over een relatief uitgestrekt gebied, ons dialect heeft zijn historische wortels behouden en jong én oud spreken het taaltje nog. Ik kon een kamerbrede glimlach niet onderdrukken toen ik dat las.

Zelf promoot ik het West-Vlaams al ruim een kwarteeuw als het hoogste goed. Die oefening was het boeiendst en het meest intensief toen ik na ruim acht jaar in het Waasland – om de liefde verkast de mens al eens – terugkeerde naar mijn provincie. Mijn kadeeën waren piepjong maar dochterlief stelde na de verhuis vast dat er in West-Vlaanderen ‘anders’ werd gepraat dan toen we honderd kilometer verderop woonden. Ik zie haar nog fronsen toen bezoek bij ons thuis om ‘fruutsap’ vroeg.

“Het is toch ‘freutsap’, mama?”, zei ze verbaasd.

Ja, zo klonk dat in onze vroegere heimat. De ‘ui’ was daar een vreemdsoortige ‘eu’ en plots veranderde ze in Brugge weer in een ‘uu’. Ik heb er kostelijk om gelachen en haar vervolgens wegwijs gemaakt in de dagen van de week. Bij ons klinken ze als ‘moandah’, ‘diessendah’, ‘woesdah’, ‘dunderdah’ … Intussen kan de dochter die woorden feilloos uitspreken en is elke ‘g’ in haar taaltje al een ‘h’ geworden.

Haar jongere broer is eilaas hardleerser. Hij houdt van dwarsliggen, praat zelden dialect en de verwarring heerst nog steeds als zijn moeder dat wel doet. Toen hij na een banale val enige tijd geleden een pleister voor de knie nodig had en ik een prijzig postoperatief exemplaar aanreikte, begon hij het kleinood voor de gein aan stukken te trekken. Verontwaardigd riep ik:

“Doetta nie, da’s e diere plakker!”

Hij keek alsof hij het in Keulen hoorde donderen. “Welk dier bedoel je?”, zei hij verbijsterd.

In West-Vlaanderen is maandag ‘moandah’, fruitsap ‘fruutsap’ en duur ‘dier’. Dat we elkaar vlot verstaan binnen de provinciegrenzen, is dus ietwat overroepen. Maar de streektaal zeven dagen op zeven eren doen we wel, net zoals we er ijzersterke cartoons over tekenen. Leve de West-Vlaamse Galliërs, of beter: Halliërs!

 

(cartoon: © Bert Dombrecht)