Azijn zal zijn

Benedikte Van Eeghem

We zijn verhuisd. Het is nog wat zoeken naar een plek voor alles. Keukenspullen hier, poetsgerief daar. Ik heb me al geregeld afgevraagd waar dat ene koppelstuk voor de mixer is gebleven. Of waar ik die map met administratie op de valreep heb gezwierd. De laatste stukken die in de verhuis mee gingen, zijn zowat overal geland. Ik vind ze nu eens onder een stapel kussens, dan weer tussen de zomerkleren.

Maar stukje bij beetje klaart het op. We vinden zaken terug en we vinden ook onszelf terug. De was heeft al gedraaid, de bedden zijn gedekt, de kleerkasten gevuld. Ik heb me zelfs al geërgerd aan rommel in deze stulp. We wonen in iets nieuws, maar het nieuwe lijkt er intussen van af. Ergernis over futiliteiten wordt mijn deel.

‘Is het echt te veel gevraagd om het hier netjes te houden, gasten? Komaan zeg …’

Na zo’n statement krijg ik in ruil gezucht en draaiende ogen van de kroost. Moeder is de zaag, vandaag, morgen, voor altijd. Maar nadat we ’s avonds hebben gekookt en getafeld, lijkt alles weer peis en vree. Er lonkt enkel nog wat afwas. Ik schrob potten en pannen en zoek naar de fles azijn om alles brandschoon te krijgen. Ik trek de kast onder de gootsteen open, speur tussen emmers en poetsproducten, maar vind het spul nergens.

‘Waar zou de azijn zijn?’, vraag ik me hardop af.

De jongste vindt het een geestig zinnetje.

‘Tja, waar zou de azijn zijn? Als hij daar zou zijn, dan zouden we blij zijn.’

Ik grinnik en pik in.

‘Maar als hier geen azijn zal zijn, tja, dan zal hij zeker weg zijn?’

‘Misschien zal hij nog in een doos zijn?’

‘Een doos-zijn is twaalf’, kaats ik spelenderwijs terug. ‘Mijn azijn zal geen dozijn zijn!’

‘Dat zal wel zijn’, lacht hij. ‘Azijn dozijn magazijn konijn.’

‘En dat is rijmen en dichten zonder uw gat op te lichten!’

We schateren. Luchtigheid alom. Ik vind het plots niet erg meer dat de keuken een rommeltje is, dat ik nog moet uitpakken en administratie moet regelen voor we helemaal kunnen settelen. Het zijn banale kopzorgen en met een kwinkslag wegen ze plots half zo zwaar.

‘Waarom gebruik je eigenlijk azijn?’, wil zoonlief terloops nog weten.

‘Omdat mijn potten en pannen proper zouden zijn.’

Hij fronst, zet zijn bril recht op zijn neus en antwoordt laconiek:

‘Dus … voor de schone schijn?’

‘Inderdaad. Azijn voor de schone schijn. ’t Zal wel zijn.’

(en hier eindigt mijn liedekijn-fijn)