Algemeen | A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | Q | R | S | T | U | V | W | X | Y | Z |
assimilatie
intonatie - eindstoten
intonatie - inzetten
intonatie - neerzetten
intonatie - opsommingen
intonatie - spreektempo
intonatie - trapsgewijze intonatie
intonatie - wat krijgt klemtoon?
intonatie - zinsklemtonen
klemtoon in vreemde talen
klemtoonverschuiving
uitspraak - algemeen
uitspraak - eind-n
uitspraak - internetadres
uitspraak - plaats- en persoonsnamen
uitspraak - vernederlandste plaatsnamen
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

intonatie - wat krijgt klemtoon?

Welk element uit de zin klemtoon moet krijgen, blijkt meestal uit het antwoord op de vraag: wat doet het onderwerp van de zin of wat gebeurt ermee? Is het antwoord alleen maar een werkwoord, dan zal dat werkwoord ongetwijfeld belangrijk zijn voor de mededeling en dus een zinsklemtoon krijgen.


Een voorbeeld.

  • De bom ontplofte rond vier uur vanmorgen.

Wat deed de bom? Ontploffen. Ontplofte moet een klemtoon krijgen, zeker als er over die 'activiteit' in het bericht niet eerder sprake was. Natuurlijk is ook de tijdsbepaling belangrijk. Ook die krijgt nadruk.


Nog een voorbeeld.

  • De gijzelnemers worden opgeroepen om zich aan de politie over te geven.

Wat gebeurt er met de gijzelnemers? Opgeroepen worden. Wat moeten ze doen? Zich overgeven.


In de hoofdzin is oproepen essentieel, in de bijzin overgeven. Ook politie zou het hoofdaccent kunnen krijgen, maar daarmee zeg je dan dat die leden zich aan de politie moeten overgeven, niet aan een andere - niet nader genoemde - instantie.


Is het antwoord op de vraag een werkwoord plus een of meer andere taalelementen (lijdend of meewerkend voorwerp, bijwoordelijke bepaling enz.), dan zijn die niet-werkwoordelijke elementen doorgaans belangrijker dan het werkwoord. Dat blijkt uit de volgende voorbeelden.

  • De militairen beklemtonen dat ze tegenover geen enkel buitenland antipathie koesteren.

Het antwoord op de vraag naar de activiteit in de hoofdzin is beklemtonen. Dat krijgt dus een klemtoon. In de bijzin luidt het antwoord niet gewoon koesteren. Daar ben je immers niet wijzer mee. Je moet weten wát er al dan niet gekoesterd wordt, en dat is in dit geval (geen) antipathie. Dat woord krijgt dus de zinsklemtoon. En je beklemtoont natuurlijk ook de voorzetselbepaling tegenover geen enkel buitenland, want ook die toevoeging is erg belangrijk.


Tot dit soort van infinitiefclusters behoren eigenlijk ook de talrijke scheidbare werkwoorden zoals voorlopen, aanduiden, goedkeuren. Die hebben het woordaccent - en in voorkomend geval ook de zinsklemtoon - altijd op dat niet-werkwoordelijke deel, dus op voor, aan, goed. Het werkwoord zelf kan alleen maar een contrastklemtoon krijgen. Bijvoorbeeld: Ik zei niet aanduiden, maar aanwijzen.


Vaak is het antwoord op je vraag naar de infinitief een werkwoordelijke uitdrukking. Dat is een combinatie van een werkwoord plus een of meer andere taalelementen die samen een meestal figuurlijke betekenis hebben: de plaat poetsen, in vuur en vlam staan, de pijp aan Maarten geven, de hand in eigen boezem steken, uit je doppen kijken. Probeer maar eens hoe gek het klinkt om in zulke - min of meer vaste - combinaties het werkwoord een zinsklemtoon mee te geven. Alleen een enkele keer is een contrastklemtoon mogelijk.