0 ... 9 | A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | Q | R | S | T | U | V | W | X | Y | Z |
objectief
obus*
Oceanië
OCMW
octaaf
octaangehalte*
Odoorn
Oegstgeest
Oeral
OESO
of - persoonsvorm
Oirschot
Oisterwijk
Oldebroek
Oldenzaal
om (doel)
om + te
ombudsman
omdat / doordat
omdat / want
omhalen
om het even wat / welke / wie
omhooghangen*
omleggen / omleiden
omliggende
Ommelanden
Ommen
omnibus
omnipracticus*
omschrijven (een brand -)*
omslag
omstaander*
omwille van
omzeggens*
omzendbrief
onafgezien*
ondenkbeeldig
onderhandelen
onderlijnen
onderricht
onderschrift / ondertitel
ondertas*
ondervragen
onderzoek
onevenwicht
ongelooflijk / ongelofelijk
ongeluk / ongeval
ongrondwettelijk*
onkennelijk*
onkosten
onmeedogenloos*
onpaar
onrechtstreeks
onregelmatige werkwoorden
ons inziens*
Onstwedde
ontdubbelen
onterecht / ten onrechte
ontginnen
onthaal, onthalen
on the job
ontkennen (de feiten -)*
ontlenen / uitlenen / lenen
ontluiken
ontmijningsdienst*
ontploffingsmotor
ontruimen / evacueren
ontschepen
ontslaan
ontslag geven / ontslag nemen
ontwaarden
ontzeggen
onuitgegeven
onverlet
onverschillig
onvrijwillig
onweer
onweerachtige bui*
onwettelijk / onwettig
onzes inziens / ons inziens*
ooit
oor
oorzaak / reden
Oostburg
Oostende
Oosterhout
Oosterzele
Oostkamp
Oostrozebeke
Oostzee / Baltische Zee
op (een op de tien leerlingen)
op / in (tijdsaanduiding)
op de duur / op den duur
opboeien (zich -)*
opbrengsthuis*
opdat
opdat / zodat
opdracht(s)verklaring
opdrijven
opdringen (zich -)
opeen...
opeisen
open lucht*
Open VLD
opendeurdag
opgeld
opgemerkt
opgezet (ergens mee - zijn)
opgezet spel
Opglabbeek
opheffen
ophefmakend
ophoesten
opkomen
opkuisen*
opleg*
opleiden
Opmeer
opmerkelijk / merkwaardig
opmerken (zich laten -)*
opnieuw / weer / terug
oppakken / aanhouden / arresteren
oppensioenstelling*
opportuniteit
oproer
oprustgesteld*
opschrikken
opslorpen
opstappen
optimaal (zo - mogelijk)
opvolgen
Opwijk
opzeg*
opzet
opzoekingswerk*
Oranjestad
orde (in de - van)*
orde (zich in - stellen)*
ordewoord*
organigram / organogram
organisme
orgelpunt
Oslo
Oss
Ottawa
Ouagadougou
oubollig
oud-
Oud-Beijerland
Oud-Heverlee
Oudenaarde
Oudenbosch
Oudenburg
ouderdom
Oudergem
ouderling
outfit
outplacement
outsider
outsourcing
OVAM
over
over (recht over)*
over / na
over / binnen (in tijdsbepalingen)
overdressed
Overflakkee
overhalen
Overijse
Overijssel
overkop*
overlaatst*
overlopen
Overmaas
overmaken
Overpelt
overrulen
overslapen (zich -)*
oversnijden (de keel - )*
OVSE
oxide
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

onregelmatige werkwoorden

  • aantijgen – teeg aan – aangetegen
  • bederven – bedierf – bedorven
  • bedriegen – bedroog – bedrogen
  • beginnen – begon – begonnen
  • begraven – begroef – begraven
  • begrijpen – begreep – begrepen
  • belijden – beleed – beleden
  • bergen – borg – geborgen
  • besluiten – besloot – besloten
  • bevelen – beval, bevalen – bevolen
  • bewegen – bewoog – bewogen
  • bezwijken – bezweek – bezweken
  • bidden – bad, baden – gebeden
  • bieden – bood – geboden
  • bijten – beet – gebeten
  • binden – bond – gebonden
  • blazen – blies – geblazen
  • blijken – bleek – gebleken
  • blijven – bleef – gebleven
  • blinken – blonk – geblonken
  • breken – brak, braken – gebroken
  • buigen – boog – gebogen
  • delven – delfde, dolf – gedolven
  • dingen – dong – gedongen
  • dragen – droeg – gedragen
  • drijven – dreef – gedreven
  • dringen – drong – gedrongen
  • drinken – dronk – gedronken
  • druipen – droop – gedropen
  • duiken – dook – gedoken
  • dwingen – dwong – gedwongen
  • ervaren – ervaarde, ervoer – ervaren
  • fluiten – floot – gefloten
  • gelden – gold – gegolden
  • genezen – genas, genazen – genezen
  • genieten – genoot – genoten
  • geven – gaf, gaven – gegeven
  • gieten – goot – gegoten
  • glijden – gleed – gegleden
  • glimmen – glom – geglommen
  • graven – groef – gegraven
  • grijpen – greep – gegrepen
  • hangen – hing – gehangen
  • helpen – hielp – geholpen
  • hijsen – hees – gehesen
  • houwen – hieuw – gehouwen
  • kerven – kerfde, korf – gekerfd, gekorven
  • kiezen – koos – gekozen
  • kijken – keek – gekeken
  • kijven – keef – gekeven
  • klimmen – klom – geklommen
  • klinken – klonk – geklonken
  • kluiven – kloof – gekloven
  • knijpen – kneep – geknepen
  • krijgen – kreeg – gekregen
  • krijten (huilen) – kreet – gekreten
  • krimpen – kromp – gekrompen
  • kruipen – kroop – gekropen
  • kwijten – kweet – gekweten
  • laten – liet – gelaten
  • lezen – las, lazen – gelezen
  • liegen – loog – gelogen
  • liggen – lag, lagen – gelegen
  • lijden – leed – geleden
  • lijken – leek – geleken
  • lopen – liep – gelopen
  • luiken – look – geloken
  • melken – melkte, molk – gemolken
  • meten – mat, maten – gemeten
  • mijden – meed – gemeden
  • nemen – nam, namen – genomen
  • nijgen – neeg – genegen
  • nijpen – neep – genepen
  • ontginnen – ontgon – ontgonnen
  • ontluiken – ontlook – ontloken
  • overlijden – overleed – overleden
  • pluizen (uitrafelen) – ploos – geplozen
  • prijzen (loven) – prees – geprezen
  • raden – raadde – geraden
  • rieken – rook – geroken
  • rijden – reed – gereden
  • rijgen – reeg – geregen
  • rijten – reet – gereten
  • rijzen – rees – gerezen
  • roepen – riep – geroepen
  • ruiken – rook – geroken
  • schelden – schold – gescholden
  • schenden – schond – geschonden
  • schenken – schonk – geschonken
  • scheppen (creëren) – schiep – geschapen
  • scheren ((baard)haar afsnijden) – schoor – geschoren
  • schieten – schoot – geschoten
  • schijnen – scheen – geschenen
  • schijten – scheet – gescheten
  • schrijden – schreed – geschreden
  • schrijven – schreef – geschreven
  • schrikken (onovergankelijk) – schrok – geschrokken
  • schuilen – school – gescholen
  • schuiven – schoof – geschoven
  • slapen – sliep – geslapen
  • slijpen – sleep – geslepen
  • slijten – sleet – gesleten
  • slinken – slonk – geslonken
  • sluipen – sloop – geslopen
  • sluiten – sloot – gesloten
  • smelten – smolt – gesmolten
  • smijten – smeet – gesmeten
  • snijden – sneed – gesneden
  • snuiten – snoot – gesnoten
  • snuiven (adem met kracht door de neus laten gaan) – snoof – gesnoven
  • spijten – speet – gespeten
  • spinnen – spon – gesponnen
  • splijten – spleet – gespleten
  • spreken – sprak, spraken – gesproken
  • springen – sprong – gesprongen
  • spruiten – sproot – gesproten
  • spugen – spoog, spuugde – gespogen, gespuugd
  • spuiten – spoot – gespoten
  • steken – stak, staken – gestoken
  • stelen – stal, stalen – gestolen
  • sterven – stierf – gestorven
  • stijgen – steeg – gestegen
  • stijven (met stijfsel bewerken) – steef – gesteven
  • stinken – stonk – gestonken
  • stoten – stootte – gestoten
  • strijden – streed – gestreden
  • strijken – streek – gestreken
  • stuiven – stoof – gestoven
  • tijgen – toog – getogen
  • treden – trad, traden – getreden
  • treffen – trof – getroffen
  • trekken – trok – getrokken
  • uitpluizen – ploos uit – uitgeplozen
  • vallen – viel – gevallen
  • vangen – ving – gevangen
  • varen – voer – gevaren
  • vechten – vocht – gevochten
  • verbergen – verborg – verborgen
  • verbieden – verbood – verboden
  • verdrieten – verdroot – verdroten
  • verdwijnen – verdween – verdwenen
  • vergelijken – vergeleek – vergeleken
  • vergeten – vergat, vergaten – vergeten
  • vergeven – vergaf, vergaven – vergeven
  • verlaten – verliet – verlaten
  • verlijden – verleed – verleden
  • verraden – verraadde, verried – verraden
  • verschuilen – verschool – verscholen
  • verslinden – verslond – verslonden
  • vertrekken – vertrok – vertrokken
  • verwerven – verwierf – verworven
  • verzinnen – verzon – verzonnen
  • verzwelgen – verzwolg – verzwolgen
  • verzwinden – verzwond – verzwonden
  • vinden – vond – gevonden
  • vlechten – vlocht – gevlochten
  • vlieden – vlood – gevloden
  • vliegen – vloog – gevlogen
  • vlieten – vloot – gevloten
  • vreten – vrat, vraten – gevreten
  • wassen (groeien) – wies – gewassen
  • wegen – woog – gewogen
  • werpen – wierp – geworpen
  • werven – wierf – geworven
  • wijken – week – geweken
  • wijten – weet – geweten
  • wijzen – wees – gewezen
  • winden – wond – gewonden
  • winnen – won – gewonnen
  • worden – werd – geworden
  • wrijven – wreef – gewreven
  • wringen – wrong – gewrongen
  • zenden – zond – gezonden
  • zijgen – zeeg – gezegen
  • zingen – zong – gezongen
  • zinken – zonk – gezonken
  • zinnen (denken) – zon – gezonnen
  • zitten – zat, zaten – gezeten
  • zuigen – zoog – gezogen
  • zuipen – zoop – gezopen
  • zwelgen – zwolg – gezwolgen
  • zwellen – zwol – gezwollen
  • zwemmen – zwom – gezwommen
  • zweren (eed afleggen) – zwoer – gezworen
  • zweren (etteren) – zwoor – gezworen
  • zwerven – zwierf – gezworven
  • zwijgen – zweeg – gezwegen