|
De kritiek op de uitkomst is niet terecht. De werkwijze van Van Dale lijkt mij - taalkundige maar niet vies van cijfers - beslist verdedigbaar. Geheel volgens het uitgangspunt van het woordenboek dat het een beschrijving van het Nederlands in Vlaanderen en Nederland wil zijn, heeft Van Dale letterlijk geteld wie wat wanneer zegt of schrijft. Komt in een standaardtalige context het Belgische woord statistisch significant meer voor dan een ander, algemeen Nederlands woord, dan moet je concluderen dat het tot de standaardtaal in België behoort. Dat is nu eenmaal standaardtaal: wat iemand die bewust zijn taal verzorgt zegt als hij zijn taal bewust verzorgt. Gebruikt die standaardtaalspreker het Belgische woord in verzorgd taalgebruik niet of slechts sporadisch, dan noemt Van Dale het "niet algemeen" (editoriaal, gecrispeerd, penaliseren, pilchard, vijs) of "spreektaal" (appelspijs, cornichon, turnsloef, velo, zwanzen). Los daarvan staan de woorden die dingen noemen die exclusief voor België zijn en zonder meer tot de standaardtaal behoren (fusiegemeente, handelsingenieur, mattentaart, paardenprocessie). Als de redactie van Van Dale zich op voldoende materiaal gebaseerd heeft, geeft de uitkomst van haar rekenwerk een goed en genuanceerd beeld van het woordgebruik in Nederlandstalig België. Wie de methode accepteert, moet het resultaat accepteren. Dat zeg ik als taalkundige.
|