|
Als de leestekens tot de geciteerde uitspraak behoren, staan ze tussen de aanhalingstekens. Anders staan ze erbuiten. Na een afsluitend aanhalingsteken komt nooit een punt.
|
- Jan zei: "Piet komt niet."
- Jan vroeg: "Komt Piet niet?"
- Zei Jan: "Piet komt niet."?
- "Piet komt niet", zei Jan.
- "Komt Piet niet?", vroeg Jan.
- "Piet", zei Jan, "komt niet."
- "Piet," zei Jan, "je moet meteen komen."
|