|
Maar ik wijk af. (Oeps, nu doe ik het weer.) Maar aan het begin van een zin kan best. "In dit geval staat het lid dat met maar begint, niet in tegenstelling tot de inhoud van het direct voorafgaande, ook niet tot het direct voorafgaande, beschouwd als uitspraak," zegt de spraakkunst met een zin die ik nooit ofte nimmer op de radio wil horen, "maar tot de gedachtegang of het thema van een ruimere voorafgaande context. De spreker kan ook aanknopen bij een situatie. Is die situatie anders dan hij verwacht of dan hij vindt dat ze zou moeten zijn, dan kan hij zijn verbazing of afkeuring laten blijken in een maar-zin."
|